| Verhalen
POLDERJONGENS: PIONIERS VAN HET
EERSTE UUR
(maar waren zij in hun element?)
De titel van dit stuk verlangt een verklaring.
Het jaar 2002 is een jubileumjaar: Haarlemmermeer is 150 jaar
droog.
Het thema van de feestelijkheden in verband met deze jubileumviering
is “Pioniers in hun element”. Met deze pioniers worden
niet alleen de pioniers van het eerste uur bedoeld, maar ook allen
na hen die op hun eigen wijze en met hun eigen inzet in Haarlemmermeer
hun beste beentje voorzetten om er iets van te maken.
Echter om niet de pioniers van het eerste uur te vergeten, volgt
hier het verhaal over de polderjongens die eigenlijk gewoon poldermannen
waren.
Deze mannen werkten zich een slag in de rondte om het drooggemaakte
Haarlemmermeer “om te bouwen” tot polder waarin men
kon wonen en werken.
Hun harde werken vroeg offers. Het is daarom terecht de vraag
te stellen of zij destijds wel in hun element waren. Velen wel
waarschijnlijk, maar ook velen niet.
De
droogmaking
De droogmaking van het Haarlemmermeer was een immens
werk.
Velen zetten zich in de eeuwen voorafgaande aan de droogmaking
in door het maken van serieuze en minder serieuze plannen om dit
grote meer te beteugelen of droog te maken.
De droogmaking zelf werd uiteindelijk uitgevoerd door keihard
werkende mannen die met beide voeten stevig in de klei stonden,
de polderjongens.
Niet alleen zij gaven hun beste krachten aan de droogmakingsarbeid,
ook mannetjesputters van tengerder formaat die achter bureau’s
en schrijftafels de plannen uitwerkten, zoals Jhr. Mr. D.T. Gevers
van Endegeest, voorzitter van de commissie van Beheer en Toezicht
over de droogmaking van het Haarlemmermeer 1840 – 1858.
Over de polderjongens en deze Gevers van Endegeest, die zo bloemrijk
in zijn boek “Over de droogmaking van het Haarlemmermeer”
over de polderjongens schreef, gaat deze bijdrage.
De polderjongens en de man die over hen met sympathie en waardering
schreef waren echte polderpioniers. Zij waren de pioniers uit
de eerste periode: de droogmakingsperiode (1840-1845). Zij werden
opgevolgd door de pioniers in de kolonisatieperiode (1852-1880).
Dat het leven van de polderjongens zeer tot de verbeelding sprak
mag blijken uit de velen die naast en ná Gevers van Endegeest
in de 20e en 21e eeuw over deze mensen schreven. In dit stuk is
dan ook onder meer een bescheiden bloemlezing te vinden van fragmenten
van hun verhalen. Dat hiermee zo nu en dan onderwerpen worden
gedoubleerd of dat soms over dezelfde onderwerpen verschillend
wordt geschreven moet u deze schrijver maar vergeven. Waar het
in deze bijdrage vooral om gaat is een sfeertekening van de droogmakingstijd,
maar wel met het uitgangspunt dit zo waarheidsgetrouw mogelijk
weer te geven.
Plannen en uitvoering
Nadat er drie eeuwen lang plannen waren gemaakt om Het
Meer te beteugelen of droog te maken, begon de daadwerkelijke
droogmaking in 1840 met de aanleg van de Ringvaart.
Van de uitgegraven aarde werd de Ringdijk opgeworpen. Hierna konden
de gemalen gebouwd worden, die het Meer zouden leegpompen.
De symbolische eerste spade voor de droogmaking van het Haarlemmermeer
werd op 5 mei in de buurt van de hoeve Treslong te Hillegom gezet
door F. van de Poll.
Hij was de toenmalige voorzitter van de (staats)commissie van
beheer en toezicht, door de regering belast met de leiding van
de droogmaking.
In 1845 waren Ringvaart en Ringdijk aangelegd. Er waren nog een
paar openingen voor de scheepvaart.
In de jaren 1840-1845 werd bij tijd en wijle door duizenden arbeiders
tegelijk 60 kilometer Ringvaart en Ringdijk rondom het Meer aangelegd.
Zij hadden slechts bescheiden hulpmiddelen als een schop, een
spade en een kruiwagen tot hun beschikking.
Het in 1848 aan de droogmaking begonnen gemaal Leeghwater, in
1849 gevolgd door de gemalen Lynden en Cruquius zorgden er voor
dat het Meer in drie jaar en drie maanden en met het uitmalen
van 800 miljoen m3 water met ruim 14 miljoen pompslagen uiteindelijk
droog werd. In juli 1852 werd de polder als min of meer drooggevallen
beschouwd.
Polderjongens
De polderjongens waren veelal geharde en taaie kerels
die in primitieve omstandigheden hard werkten.
Ze werkten in ploegen, zoveel mogelijk met gelijkwaardige krachten,
omdat de verdiensten dan hoger waren. Het graafwerk werd voor
die tijd niet slecht betaald, globaal tussen de f 0,75 en f 1,10
per dag.
Er was geen achturige werkdag, ook geen vijfdaagse werkweek. Zolang
het licht was werd er gewerkt.
De maaltijden bestonden uit brood met spek, aardappelen en spekpannekoeken.
Als drank koffie, thee, bier en ook een borrel op z’n tijd.
In verband met het grote belang van goed drinkwater plaatste de
commissie van beheer en toezicht op centrale punten filtreertoestellen.
In de korte avonduren werd er, als men nog energie over had, voor
de afleiding regelmatig gedanst en gezongen.
“Zij wonen in vrije liefde samen”
Trouwen ging destijds vaak niet officieel. Vanwege de
huwelijksformaliteiten, de af te leggen afstanden en de kosten
(leges en inkomstenderving) kwam het regelmatig voor dat mannen
en vrouwen “over de puthaak” trouwden.
Van Dale zegt hierover: “zij wonen in vrije liefde samen”.
Soms werd er door polderwerkers in één keet samengewoond
met meerdere vrouwen die niet alleen voor hen kookten en wasten,
maar ook, zoals in het boek “De Waterwolf getemd”
geschreven staat, “op ander gebied als vrouw optraden”.
De polderjongens leefden in eenvoudige keten die op de Ringdijk
waren geplaatst werden en verplaatsbaar waren, naarmate de graafwerkzaamheden
vorderden.
Een keet bestond uit balken, planken en riet. Meestal waren er
maar twee openingen, de deur en een gat in het dak voor de afvoer
van rook. In één keet leefden soms wel twaalf personen.
Vooral in de winter als er niet gewerkt kon worden, werd er armoe
en ellende geleden.
Na verloop van tijd, nadat de Ringdijk gesloten was, en men zich
niet steeds weer behoefde te verplaatsen vanwege de graafwerkzaamheden,
ontstonden er houten huizen die gerieflijker waren. Ook waren
er polderwerkers die hun echtgenotes en kinderen bij zich hadden.
Deze vestigden zich in de omringende gemeenten.
Weet ge wat polderjongens zijn?
In zijn boek “Over de droogmaking van het Haarlemmermeer”
geeft Gevers van Endegeest een beeld van het leven van de polderjongens:
“Weet ge wat polderjongens zijn: zo noemt men de aardewerkers,
die van heinde en verre op alle openbare werken bij troepen aanrukken;
menschen van de jeugd af gewoon in het slijk te leven en in moerassen
te zwoegen; tegen ziekten en vermoeijenissen gehard: gespierde,
forsche en wakkere mannen, want de zwakken en tragen vallen af.
Zij werken in ploegen van acht of twaalf man met een putbaas aan
het hoofd, bij aannemening van onderdeelen van den hoofdaannemer.
Wie niet gelijk met hen opwerkt, wordt uit hun midden geweerd.
Geen daggelder uit den omtrek van het Haarlemmermeer, die het
beproefde, of hij moest al spoedig voor den onafgebroken zwaren
arbeid zwichten.
Zij slapen bij ploegen te zamen in keeten van riet en stroo, doorschijnend
en luchtig in de zomer, ’s winters digter gedekt; in weinige
uren opgeslagen en nog spoediger afgebroken; die telkens worden
verplaatst naar gelang de dijk of de vaart is verlengd. Eene vrouw
doet er het huishouden, en bewaart de orde zoo goed als de best
bezoldigde oppasser zou vermogen. Die vrouw, met een der gezellen,
soms voor den puthaak alléén getrouwd, wordt door
de anderen geeerbiedigd zoo lang het polderhuwelijk niet weder
voor den puthaak is ontbonden.
Zij zijn van de beste baggerlaarzen voorzien en van prikken onder
de zolen, om over de gladde planken te kunnen kruijen, die telkens
met den puthaak worden omgewenteld en versleept. Zij gaan van
hoofd tot voeten met roode baai overdekt. Zij eten volop spek
met aardappelen en brood, en huren ’s middags eene plek
aan het vlammend vuur in het midden der keet, om er spekpannekoeken
in hunne braadpannen te bakken. Zij drinken soms bier, meestal
koffij en thee, maar koud water nimmer.
Van matigheidsgenootschappen weten zij weinig af; zij brassen
met het einde der week, maar zijn Maandag middag weder aan den
zwaren arbeid bezig, vijf dagen en een half achtereen, zoo lang
de zon haar liefelijk licht over de aarde verspreidt; en dan nog
is er soms kracht en lust genoeg om ’s avonds op de maat
van de fidel te dansen. Als het nodig is, dan lossen ’s
nachts de ploegen elkander af om de putten in het drooge te houden,
en is de zomer te kort, dan werkt men door tot in den winter.
Zoo ging het onder anderen, toen in November en December de hoofdvaart
tusschen den Leeghwater en den Lijnden werd gegraven, waarbij
men van weerszijde naar elkander toe werkte, tot dat men zich
juist op oudejaarsavond 1852 ontmoette, en bezweet, afgemat, met
hoera’s en gezang en wat niet al meer, onder den blooten
winterhemel, te middernacht in het slijk het nieuwe jaar vierde.
Ik verdedig de zeden der polderjongens niet, maar beschrijf ze,
en prijs den onversaagden arbeid, de krachtsinspanning en den
moed dier ruwe doch nuttige volksklasse. Die onversaagdheid, kracht
en moed zal vooral ieder met mij toejuichen, die hen eene vaart
midden door de onafzienbare waterachtige vlakte heeft zien graven,
waar de bodem te slap is om werktuigen te dragen en toch te weinig
water staat om er vaartuigen met baggermachines te brengen. De
dappersten, soms door een prijs van den aannemer aangevuurd, brengen,
diep wadende door den poel, de eerste bakens vooruit. Straks werpen
zijn met de hoosschop den modder op, om 100 ellen verre met een
slappen modderdam in de aangegeven rigting een vak af te zetten,
ter breedte van de vaart en aan de uiteinden dwars afgesloten;
nu wordt het water uit dat vak gehoosd, of in het voorafgaande
reeds uitgediepte gedeelte afgelaten, en met de bloot komende
gronden de kade verzwaard.
Naauwelijks is men binnen dit vak aan het graven in den harderen
onderbodem, of een nieuw vak wordt wederom vooruit aangelegd,
en spoedig wederom een ander; en zoo komt men van vak tot vak,
uren ver van den wal, immers voorwaarts. Achteruit is men al gravende
spoedig onder de oppervlakte van den modderigen waterspiegel gedaald,
en is gaandeweg eene diepe groef gedolven, die tevens tot gemeenschap
met de immer vooruitgaande voorwerkers dient. Waar ter wederzijde
van verre alles effen en kalm schijnt en niets bespeurd wordt
dan de hoofden der eerste ploegen, als eenden op het water, vindt
men van nabij eensklaps het gejoel en gewemel van honderden menschen,
die bespat en beslijkt, spitten, laden, kruijen en zwoegen, en
dooreen kruissen als een hoop mieren. Verwonderd aanschouwt gij
eene vaart, diep onder de oppervlakte liggende, met keeten, op
oude bodems drijvende – want vaste grond is er nog niet
– vol vlotten en schuiten, de benoodigdheden voor het polderjongensleven
dragende, en al de bedrijvigheid eener markt. Met zulke scharen
goed toegeruste en zich goed voedende werklieden kon de onderneming
onbeschroomd worden begonnen”.
Aldus Gevers van Endegeest.
De aannemer Kater, bijvoorbeeld, had in de winter
van 1840-1841 tussen de 430 en 450 arbeiders in dienst.
Het ging om 245 alleenstaande mannen en 194 mannen met een gezin,
(191 vrouwen en 292 kinderen).
De polderjongen slaapt in eene keet
Suze van Zijverden, die jarenlang intensief heeft gedaan
in het archief van de droogmakingscommissie in Haarlem heeft,
naar aanleiding van een oud artikel uit de Utrechtse Courant van
3 april 1854, het volgende te vertellen over de polderjongens:
“De polderjongen slaapt in eene keet:er zijn zo’n
300 keten beschikbaar: hij betaalt daarvoor, alsmede voor het
wasschen van een hemd en een doekje, of zoo iets, ’s wekelijks
80 cent, terwijl hij des avonds voor aardappelen met een lange
saus (waar weinig voedsel in was) f 1,75 per week moet geven.
Is hij een goed werker en in evenredigheid van zijne krachtsinspanning,
een fatsoenlijk eter, dan heeft hij wekelijks 3 pond spek nodig,
’t welk hem dus á 50 cents per pond f 1,50 kost.
Daarbij komt nog zijn tarwebrood en roggebrood (het eerste wordt
echter het meest gegeten) en de borrel, die door schier talloze
wandelende slijterijen (dat zijn industrielen met vaatjes op den
rug en glaasjes in de handen) in het Meer wordt gepresenteerd.
Voor de Matigheidsgenootschappen zouden daar belangrijke opmerkingen
en gevolgtrekkingen zijn te maken. Er worden vrij wat 3 cents
glaasjes geledigd!
De arbeider begint vroeg: velen in de morgenschemering. Om 2 uur
verlaat menigeen reeds de keet. Hij gebruikt daags zijn brood
staande. Als de klok des namiddags 2 uur slaat, zijn er ook die
de schop op de rug nemen en huiswaarts gaan. De laatsten werken
hoogstens tot 4 uur.
Dan is het vieravond (rusttijd na volbrachte arbeid). En velen
gaan als de kippen het rek zoeken, onder de dekens.
Zoo levende, goed werkende, gezond etende en zijn Schiedammertje
drinkende, heeft de polderarbeider f 6,00 á f 7,00 per
week voor zijne noodzakelijke behoeften noodig”.
Suze van Zijverden schrijft hier verder over: “Het schijnt
dat er nog weinig belangrijks wordt gevonden. Veel wrakken van
schuiten treft men er echter aan: en daaronder vol aarden potten,
waaruit de arbeiders nu eten. Hoe weinig had hij, die deze lading
toekwam en vervoerde, kunnen vermoeden, dat daaruit, op de plaats
zelve waar de schuit zonk, door hen zou worden gegeten, die den
grond gereedmaken om vruchten voort te brengen. Ook delft men
nu en dan geraamten op. Bij één daarvan vond men
eene pijp, knoopen en een lederen zakje: onlangs werden er zeven
bij elkaar gevonden. Voor eene koperen tabaksdoos, 3 eeuwen oud,
ontving de vinder zoo men zegt vijftig gulden. Volgens een gerucht
onder het werkvolk verspreid, zou er ook een schuit met porselein
in den grond zitten en men begrijpt hoe ieder vol verlangen is
om die te ontdekken...”.
“Doch verder was het modder en drek
en de wijde onafzienbare verte”
In de omringende gemeenten was men over het algemeen
bepaald niet ingenomen met de nieuwe inwoners. De gemeentebesturen
kregen te maken met soms wat ruwe types die zich na gedane zware
arbeid graag op hun eigen wijze, soms met veel alcohol, ontspanden
in die gemeenten. Naast alcoholmisbruik kwam regelmatig misdadig
gedrag, zoals vernieling of diefstal voor. Ook werd er door de
gemeentebesturen gevreesd voor aantasting van de goede zeden.
Wouter Slob schreef hierover in de Hoofddorpse Courant: “Onder
zulke omstandigheden vestigden zich daar jonge ondernemende of
op avontuur beluste lieden. Zij brachten hun vrouwen of hun moeders
of zusters mede en men moet zich eens realiseren wat dezen daar
die jaren hebben moeten meemaken. Daar was allereerst de voortdurende
angst voor de stropende polderjongens, die op de een of andere
wijze ook in de dikwijls werkeloze wintermaanden aan de kost wilden
komen en stalen als de raven. De angst zat er helemaal in, toen
in 1855 een man vermoord werd gevonden”.
De omringende gemeenten van Haarlemmermeer waren
ook bang voor het ontstaan van besmettelijke ziekten, omdat de
hygiene van de mannen vaak te wensen over liet.
Ziekten of overlijden van de polderwerkers of hun eventuele gezinsleden
kwam regelmatig, vanwege hun armoedige bestaan, voor rekening
van de omringende gemeenten.
Naast slechte huisvesting was er sprake van het ontbreken van
de meest elementaire voorzieningen, geen of onvoldoende medische
verzorging van mens en dier, slecht begaanbare wegen, onvoldoende
of ontbrekend onderwijs.
De strijd om het bestaan werd verergerd door ernstige zieketen
en epidemieen. Cholera, malaria, pokken, tyfus en veepest waren
de meest voorkomende ziekten.
Wouter Slob schrijft in bovenbedoeld artikel over
de polderjongens verder: “Ze kwamen van her en derwaarts
en hadden meermalen wat op het geweten. Het waren lang niet altijd
de sociaal besten. Ontspanning kenden zij niet. Zij hadden wellicht
alleen een petroleumlantaarn bij de lange herfst-en winteravonden.
Doch verder was het modder en drek en de wijde onafzienbare verte.
Werd men ziek dan wachtte men af, óf beterschap, óf
de dood, want doktoren kwamen niet in de polder. Hoe zouden zij
ook? Met paarden was bijna niet, althans in het natte jaargetijde
in de polder te komen. Zo moesten ook de dragonders, die dit uitgestrekte
gebied ter bewaking hadden kregen, zich noodgedwongen langs de
Ringdijk ophouden omdat hun paarden in het slijk wegzakten”.
De slechte gezondheidstoestand was het gevolg van
het tekort schieten van de hygienische situatie en de kwaliteit
van het drinkwater. De kindersterfte was enorm hoog. In de periode
1856-1860 behoorde meer dan een derde van alle overledenen tot
deze categorie.
Ziekte kwam bij de polderjongens zelf, ondanks alles, relatief
weinig voor.
Na de beginperiode zonder medische zorg, kwamen in de loop van
de tijd tweemaal in de week uit de omringende gemeenten artsen
alleen voor de ernstige ziektegevallen.
De polderjongens betaalden in bepaalde gevallen voor geneeskundige
hulp via hun werkgever, de droogmakingscommissie, één
cent per dag, waarvoor dan twee keer per week een dokter langs
kwam.
Rooie Kees
Over leven en dood van de polderjongens werd in de Oprechte
Haarlemsche Courant een stukje geschreven, getiteld: “Hoe
Rooie Kees begraven werd”.
“Men schrijft ons uit Haarlemmermeer het volgende, dat een
droevige kijk geeft op het lage peil van het volksleven: “Rooie
Kees”was ziek…
Al een paar dagen was Kees niet erg lekker. Zijn pruimpje ontbrak
achter de kiezen en bolde zijn magere wang niet, zooals gewoonlijk.
Eten liet Kees staan en alleen had hij de laatste paar dagen zijn
“propje”genomen om het leege gevoel wat weg te spoelen.
Doch dat hielp ook al niet; ’t eind van het liedje was,
dat Kees zijn stroozak opzocht in de vunze polderkeet, zooals
er zoovele stonden in de “Meer” in den eersten tijd
van droog zijn.
De keetvrouw verzorgde “den rooie” met moederlijke
zorg en belangstellend kwamen Hein en Gerrit en nog meer collega-polderjongens
hem aan zijn sponde troosten, en als de zieke vertelde, dat hij
zich zoo naar gevoelde en zei, dat zijn heele “boddie”
van streek was, dan klonk het: “Nou Kees, geen grappen hoor!
Je wilt er toch niet uitknijpen? Jongen, als we straks van “moeder
Kee” terugkomen, zullen we een “happie” voor
je meebrengen”.
’S Avonds keerden de kameraden terug en traden op Kees toe.
Bij hem zat de keetvrouw. Ze hield een wijsvinger voor den mond
“Stil jongens”, zei ze, “’t gaat met Kees
verkeerd. Hij deed zoo raar straks en nou is hij al een heele
poos stil. Maar… ik durf niet te kijken”.
De kranke had zich, al woelende, geheel onder zijn goor dek gewerkt.
Hein de Brabander lichtte het even op en toen hij goed had gezien,
zei hij:”Ik geloof waarachtig, dat “de rooie”
uit logeren is”.
Zoo was het ook; Kees was dood.
Drie dagen zijn verloopen en zijn kameraden zullen Kees naar zijn
laatste rustplaats brengen.
Er verschijnt een boerenwagen, waarop een paar bossen stroo.
Voorzichtig wordt de ruwhouten kist, die er niet heel solide uitziet,
op het stroo geplaatst. Langzaam zet de stoet zich in beweging,
de dragers achter den wagen aan.
’t Is een verre tocht, dien ze hebben af te leggen: naar
“’t Kruis” (Hoofddorp).
Spoedig komen ze aan den eersten dwarsweg, waar, zooals op alle
punten, waar de Hoofdvaart gesneden wordt door een dwarsweg, zich
een heilig huisje bevindt, d.w.z. een strooien keet met wat plaggen
gedekt, waar men toch “wat krijgen” kan, een café
dus.
De dragers worden moe en één hunner stelt voor,
even halt te houden en in het café wat uit te rusten. Algemene
instemming !
Een poosje later verkondigen luide mannenstemmen daarbinnen, dat
het leed over den doode al wat zakt en men in opgeruimder stemming
geraakt.
Eindelijk verschijnt de stoet weer buiten, de koetsier neemt voor
op de wagen zijn plaats weer in.
“Nou” zegt er een, “de rooie was altijd zoo’n
haantje de voorste en nou zou hij uit rijden gaan en wij loopen,
dat gaat niet. Ik ben toch al zoo moe in m’n knieen. Ik
ga op den wagen zitten.
De daad wordt bij het woord gevoegd en vervolgens nemen allen
plaats op den rand van den wagen. ’t Gaat wel een beetje
luidruchtig toe voor een begrafenisplechtigheid, wat er niet minder
op wordt, als ze nog eens weer gerust hebben.
Als eindelijk voor de derde maal gepleisterd is, en men het hart
versterkt heeft, wordt de tocht onder luid gezang voortgezet.
Vroolijk klinkt maar steeds het refrein:
“En hij is dood en hij is dood!
En hij komt nooit weerom!”
Nederzettingen
In de winter kon er veelal niet gewerkt worden. Een deel van de
polderjongens overwinterde in de keten op de dijk, anderen trokken
weg om bij hun familie elders in Nederland te verblijven. Een
deel van de gehuwde mannen verbleef bij hun gezin in één
van de aangrenzende gemeenten.
Tijdens de droogmaking van het meer vestigden zich steeds meer
mensen blijvend aan de Ringdijk.
Nederzettingen ontstonden in de buurt van de bruggen over de Ringvaart
en de gemalen.
Men vestigde zich in de nabijheid van bruggen in verband met de
verbindingen met de buitenwereld en bij de gemalen omdat daar
al vanaf het begin van de bouw mensen woonden.
Hierdoor ontstonden de vele dijkdorpen in Haarlemmermeer. Men
orienteerde zich ook op het dorp aan de overkant van de Ringvaart,
want daar waren de voorzieningen. De eerste bewoners van de polder
leefden als het ware met de rug naar de polder toe.
Degenen die zich wilden vestigen op de Ringdijk hadden hiervoor
toestemming nodig van de droogmakingscommissie. Deze commissie
gaf de benodigde grond in recht van opstal omdat het zelf eigenaar
van de dijk wilde blijven.
Bij een officiele telling in november 1849 blijken er twintig
personen, (achttien mannen en twee vrouwen) te zijn die met toestemming
van de droogmakingscommissie een nering of bedrijf uitoefenen.
Na de polderjongens en naast de polderjongens waren de neringdoenden
en de trekjagers de eerste bewoners van de Ringdijk.
Zo dreef de weduwe van Gerrit Verkuyl in een houten keet een winkelnering
en slijterij. Jacob Fulle had een paardenstal voor de trekjagerij.
Francina Spoel, weduwe van Pieter Bras, had een winkelnering en
was slaapstedehoudster, Frederik Otto Berendien was timmerman
en Maarten van Eisen had een kruidenierswinkel.
Na de droogmaking
De eerste bevolking van Haarlemmermeer bestond voornamelijk
uit polderjongens.
Gedurende en na de bouw van de boerderijen vestigden de boeren
zich in Haarlemmermeer.
Na de droogmaking van het meer werden de polderjongens ingeschakeld
voor het graven van vaarten, tochten en sloten in de Haarlemmermeerpolder,
( in totaal 2.270 km.). Hierna kon het land “zwart”
gemaakt worden, dat wil zeggen van onkruid ontdaan.
Een aantal polderjongens zal aan de dijk zijn blijven wonen. Anderen
trokken de polder in om in de buurt van waar ze werkten hun keet
op te trekken.
Hoeveel polderjongens in De Meer bleven wonen is moeilijk te zeggen
omdat er in de eerste jaren geen bevolkingsregister of burgerlijke
stand was. Haarlemmermeer was niemandsland, zonder gezag, wetten
of voorschriften.
Veel van de polderjongens werden landarbeider op de nieuwe boerenbedrijven.
Zij werkten 12 á 13 uur per dag en in de zomer nog langer.
Ook gaven de verveningen, die in 1851 gestart waren, werk aan
de polderjongens.
Niettemin verlieten ook vele polderjongens de Meer om elders hun
vak uit te oefenen.
Soms werd op hun vertrek drang uitgeoefend.
Ter Veen schrijft in zijn boek “De Haarlemmermeer als kolonisatiegebied”:
“Het land was drassig, soms nog bewoond door zwermen polderjongens,
die er in hun keetendorpen op huisden en er niet dan met groote
moeite door de hulpmarechaussee werden afgejaagd en weggebrand.
In het laatste geval werden de hutten der poldergasten in brand
gestoken, zoodat deze ijlings moesten vluchten”.
Gevers van Endegeest schrijft hierover: “Er waren verscheidene
koopers, die herhaaldelijk aandrongen op de wegruiming der nabij
hunne landen gelegen keeten van het werkvolk, aan de verkaveling
nog bezig. Ze in brand te steken ware het eenige redmiddel geweest;
doch waar zou het volk dan heen moeten, dat voor de laatste werken
steeds noodig bleef, tot aan en zelfs tot lang na de overgave
van den polder aan het nieuwe bestuur?”
De polderketen stonden meestal bij elkaar. Later
zijn op die plaatsen ook buurten ontstaan, zoals ’t Kabel
bij Nieuw-Vennep en in het centrum van Hoofddorp aan de Kruisweg
ter hoogte van het chinese restaurant.
Gevers van Endegeest
Niet alleen aan de nagedachtenis van de vele voor ons
“naamloze” pioniers, die grote verdiensten hadden
en, door de barre levensomstigheden, lang niet altijd “in
hun element” waren zijn deze regels gewijd.
Een bepaald niet naamloze en zeer verdienstelijke “bureaupionier”
was Gevers van Endegeest.
In het oude archief van het waterschap Groot-Haarlemmermeer
is een portret aanwezig van een tengere oude man. Hij is klein
van postuur en op zijn borst zijn vele onderscheidingen en eretekenen
te zien. Deze man is jonkheer meester Daniel Theodore Gevers,
heer van Endegeest, Oegstgeest en Poelgeest.
Het was deze man die onvermoeibaar en met een stuwende
kracht de droogmakingscommissie gedurende 18 jaar bezielend en
ambitieus leiding gaf. De eerste voorzitter van de in 1839 ingestelde
staatscommissie, de heer Mr. F. van de Poll, de vader van de latere
dijkgraaf van de Haarlemmermeerpolder, Jhr. Ir. J.W.M. van de
Poll, legde zijn functie al in 1840 neer.
Voordat in 1839 de Commissie van Beheer en Toezicht
over de Droogmaking van het Haarlemmermeer aan het werk ging,
waren er vanaf 1837 al twee andere commissies actief geweest.
De commissie van 1837, onder voorzitterschap van H. Ewijk, hoofadviseur
van de Waterstaat werd benoemd op 6 augustus 1837. De opdracht
luidde een plan en begroting te maken voor de droogmaking van
het Haarlemmermeer, en uiterlijk op 1 november van datzelfde jaar
rapport uit te brengen.
Op 24 oktober van dat jaar leverde de commissie haar werk keurig
in. Koning Willem I vond dat er zeer verdienstelijk werk was verricht.
Op 6 januari 1838 werd het rapport geaccepteerd en de commissie
onder dankzegging ontbonden..
Tien dagen later, op 16 januari 1838, werd “Commissie
II” benoemd, onder voorzitterschap van D. Mentz, Inspecteur
van de Waterstaat. Deze commissie moest de mogelijkheden van stoombemaling
nader onderzoeken, en of er eventueel ook met turf zou kunnen
worden gestookt. De commissie bestond uit een viertal waterstaats-en
stoomexperts.
Het op 2 september 1839 ingeleverde rapport was zodanig onder
de maat dat het niet werd geaccepteerd. Een nieuw samengestelde
commissie, bestaande uit 3 leden, leverde op 8 oktober 1840 een
rapport in dat lovend werd ontvangen. De commissie werd niet ontbonden.
Lipkens, staatsraad en technisch adviseur en Dr. G. Simons, inspecteur-adviseur
werden lid van de Commissie van Beheer en Toezicht over de droogmaking,
die inmiddels in 1839 was opgericht. Het derde lid van Commissie
II, M.G. Beijerinck, Hoofdingenieur van de Waterstaat in Zuid-Holland,
was daar al lid van.
Eén man bleef steeds op zijn post
Na het besluit van de Tweede Kamer van 22 maart 1839
werd op 4 juni 1839 de Commissie van Beheer en Toezicht over de
Droogmaking van het Haarlemmermeer benoemd. Lang na het voltooien
van haar feitelijke opdracht; droogmaking van het Meer, werd de
commissie pas ontbonden op 15 april 1858.
Gedurende haar zeer langjarige bestaan wisselde de commissie nogal
eens van samenstelling. Opvallend groot is het verloop onder de
militaire experts, die benoemd waren in verband met de strategische
problemen, die droogmaking voor de verdediging van de hoofdstad
Amsterdam zou opleveren. Eén man bleef steeds op zijn post:
Gevers van Endegeest.
Daniel Theodore Gevers werd in Rotterdam geboren
op 25 augustus 1793. Hij was het oudste kind uit het tweede huwelijk
van zijn vader, Jhr. Mr. Dirk Cornelis Gevers van Endegeest, onder
meer commissaris-generaal van waterstaat, lid van Gedeputeerde
Staten, gemeentesecretaris van Rotterdam en schepen van Schieland
en Maria Catharina de Leeuw, (1773-1823).
In 1817 promoveerde hij tot meester in de rechten met een in het
Latijn geschreven proefschrift.
Hij bood zijn dissertatie, zoals dat destijds gebruikelijk was,
aan Koning Willem I aan en verklaarde graag in Staatsdienst te
willen treden.
Echter op persoonlijke raadgeving van de koning zou hij zich eerst
twee jaar verdiepen in de juridische praktijk. Dat deed hij in
de advocatuur te Den Haag.
In 1819 besloot hij, met toestemming van de Koning, een grote
reis, waaronder naar Italie te maken. Hij bleef anderhalf jaar
weg en ontmoette, voorzien van aanbevelingsbrieven, vele interessante
mensen. Na zijn terugkomst werd hij tot commies van staat benoemd.
Zijn bekwaamheid viel op en hij ging werken bij Justitie en Binnenlandse
Zaken, waar hij het gevangeniswezen bestudeerde. In verband hiermee
maakte hij verschillende inspectiereizen.
Gevers was een “land-edelman”, een polderman, geboeid
door typisch Hollandse problemen van landbouw, waterbeheersing
en waterkering en alles wat daar raakvlakken mee had.
Hij schreef een verhandeling over het toegangbaar maken van duinvalleien
langs de kust van Holland. In 1826 werd deze studie door de Maatschappij
tot bevordering van de landbouw bekroond en uitgegeven. Koning
Willem I was in deze kwestie zo geinteresseerd, dat hij de jonge
Gevers naar Cascogne in Frankrijk zond om na te gaan hoe daar
de duinen werden vastgehouden en vruchtbaar gemaakt.
Hij werd in 1828 benoemd tot referendaris bij de Raad van State
en vervolgens tot hoofdambtenaar bij het departement van Buitenlandse
Zaken benoemd, (1838-1849).
In 1838 vaardigden de Staten van Zuid-Holland hem af naar de Tweede
Kamer. Hij maakte hier deel van uit tussen 1838-1849 en 1850-1855.
Gedurende 1 jaar van deze twintigjarige periode (1849) verwisselde
hij zijn zetel voor een in de Eerste Kamer. Tussen 1842 en 1855
was hij voorzitter van de Tweede Kamer.
Hij was een trouw aanhanger van het koningshuis, waarvan alle
drie elkaar opvolgende Koningen Willem I, II en II betrokken waren
bij de droogmaking: Koning Willem I: benoeming van de staatscommissie
welke wetsvoorstellen maakt in 1838 en 1839, totstandkoming van
de Wet tot droogmaking, totstandkoning van de Wet omtrent een
geldlening van 8 miljoen voor de kosten van bedijking en droogmaking,
benoeming van de commissie van beheer en toezicht c.a.
De verdienste van Koning Willem II is de ondertekening op 31 december
1843 van de Wet tot regeling van de uitgaven voor de droogmaking.
Willem III bezoekt het pas gebouwde, en nog niet officieel in
werking zijnde gemaal op 6 januari 1845. Hij tekent op 21 december
1850 een wet, waarin de lening wordt verhoogd tot 10 miljoen gulden
De belangstelling van Gevers en zijn specialistische kennis lagen
met name bij de landbouw, de waterstaat en de defensie. Hij was
de mede-oprichter van de Algemene Koninklijke Landbouwvereniging.
Gedurende twee jaar (1856-1858) was hij minister van Buitenlandse
Zaken in het kabinet Van der Brugghen. Dit korte ministerschap
schijnt hem weinig voldoening geschonken te hebben.
Na zijn aftreden trok hij zich uit het politieke leven terug om
zich voortaan voornamelijk bezig te houden met het beheer van
zijn buitenplaats en zijn andere goederen en eigendommen.
Daarnaast was hij dus ook nog commissievoorzitter van 1840-1858
en tussen 1858 en 1871 hoogheemraad van Rijnland en van 1853-1876
curator van de Leidsche Hoogeschool. In 1843 was hij benoemd tot
staatsraad in buitengewone dienst. Hij zou dat tot zijn dood blijven.
Ondanks zijn drukke leven vond hij nog voldoende tijd om diverse
boeken en verhandelingen te schrijven.
Gevers van Endegeest overleed op 27 juli 1877 op de buitenplaats
Endegeest te Oegstgeest.
Het archief van de commissie van beheer en toezicht
op de droogmaking van het Haarlemmermeer, waar Gevers 18 jaar
voorzitter van was, en waarin een schat aan nog niet onderzochte
en gepubliceerde gegevens de droogmaking betreffende is te vinden,
is opgenomen in de verzamelingen van het Rijksarchief voor Noord-Holland.
Over de werkzaamheden van de commissie publiceerde Gevers van
Endegeest een al eerder genoemd zeer waardevol boekwerk in 3 delen,
getiteld : “Over de droogmaking van het Haarlemmermeer”.
Nog even over de polderjongens.
Wouter Slob schreef in de Hoofddorpse Courant van 8 mei 1969 het
volgende: “Op verschillende plaatsen van onze gemeente zijn
we in de jaren na de oorlog verrast met “nieuwe kunst”,
onbegrijpelijke beelden, waar weinig mensen plezier aan beleven,
meen ik. Misschien dat er eens ergens een standbeeld kan worden
geplaatst van een forse kerel, één waarvan iedereen
op het eerste gezicht zegt: ja, dat is een sterke polderjongen
en géén geknutsel met ijzer of brons waar niemand
iets van kan maken. Niettegenstaande hun laakbare levenswandel
hebben ze recht op waardering van het nageslacht”.
Op 21 december 1988 om 19.00 uur kreeg Wouter Slob
terecht zijn zin. Op het Polderplein in hartje Hoofddorp werd
als eerbetoon aan “de polderjongen” het markante beeld
van een forse kerel met een spade in de knoestige vuisten onthuld.
De bekende Haarlemmermeerse kunstenaar Karel Gomez maakte een
voor alle inwoners van Haarlemmermeer “toegankelijk, dat
wil zeggen begrijpelijk beeld”. Dít wás een
polderjongen, dat kon en kan iedereen zien!
“De polderjongen” was een geschenk van het waterschap
Groot-Haarlemmermeer aan de bevolking van de Haarlemmermeerpolder.
E.D. Tiemens, januari 2002.
BRONNEN (o.m.):
Gevers van Endegeest: “Over de droogmaking van
het Haarlemmermeer” in 3 delen, (1843, 1853 en 1861).
Wouter Slob: Hoofddorpse Courant, 14 juli 1994, “Van Commissie
naar Polderbestuur 1855”
Idem, 21 juli 1994, deel 2
Idem, 28 juli 1994, deel 3
Wouter Slob, Hoofddorpse Courant, “De Polderjongens”,
4 augustus 1988
Wouter Slob, Hoofddorpse Courant, 24 september 1987 “Van
alles en nog wat over straatnamen (1);
Wouter Slob, Hoofddorpse Courant, “De polderjongens”,
8 mei 1969.
Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek, Leiden 1914, pag.
464
Nederland’s Adelsboek, 1993, pag. 186 tot 189
Dr. Marianne C. van der Plas, secr. Stichting Endegeest etc. “Het
familiegraf van de familie Gevers van Endegeest”, jaartal
onbekend
Mr. B.C. van Krieken, “110 jaar Gevers Deutz”, jaartal
onbekend
Eeuwfeestcommissie: “Van bruisend water tot ruisend graan”,
onder redactie van dr. P.H. Schroder
E.D. Tiemens i.s.m. J. van Andel: “Wonen en werken aan de
Ringdijk 1840-1852, “Meer-Historie” juni 1996;
Ir. J.G. Bijl, “De Haarlemmermeerpolder”, Tijdschrift
voor Economische Geographie, 1927;
Dr. H.N. Ter Veen: “De Haarlemmermeer als kolonisatiegebied”
, 1925;
Jacqueline Zirkzee, “Kolonisten in de klei”, 1985;
Suze van Zijverden: Hoofddorpse Courant, 29 maart 2001, “Het
leven van de polderjongens in 1854”.
|