| Verhalen
Droogmaken – droog houden
Haarlemmermeerpolder 1852-2002
1 Inhoud
2 Voorwoord
Waterschap Groot-Haarlemmermeer in kort bestek
3 Ten geleide
4 Droogmakingplannen en
enkele plannenmakers
Leeghwater
Bolstra
Cruquius
Van Lynden van Hemmen
5 De rol van Koning Willem I bij de droogmaking
van het Haarlemmermeer
6 De droogmaking
7 De gemalen
a Leeghwater
b Lynden
c Cruquius
d Bolstra
e Koning Willem I
8 Koninklijke bezoeken aan de Haarlemmermeerpolder
9 De Haarlemmermeerpolder
in de 21e eeuw
Ontwikkelingen
Waterbeleid nu en in de toekomst
Waterhuishouding
10 Droogmaken – droog houden. Epiloog
11 Geraadpleegde literatuur
12 Colofon
2 Voorwoord
Goed waterbeheer: opdracht en uitdaging
De geschiedenis van de Haarlemmermeerpolder gaat
terug tot de drooglegging van de Meer in 1852, nu honderdvijftig
jaar geleden.
Mogelijk dacht men toen dat we het -letterlijk- wel droog zouden
houden hier in onze polder.
Anno 2002 weten we dat water, in al zijn verschijningsvormen,
altijd aandacht en zorg zal blijven vragen.
Waar het de Haarlemmermeerpolder betreft vervult
met name het waterschap
Groot-Haarlemmermeer, opgericht in 1979, deze taken.
Van de historische gemalen de Leeghwater, de Lynden en de Cruquius
die de droogmaking realiseerden spelen de eerste twee ook nu nog
een rol van betekenis bij het droog houden van de polder. Dit
vervult mij als voorzitter van de Nederlandse Gemalen Stichting
met trots.
Naast vasthouden en bergen van het water is uitbreiding
van de bemalingscapaciteit specifiek een zorg van nu. Voortgaande
bebouwing, bodemdaling en temperatuurstijging vragen voortdurend
om maatregelen. Ons Waterschap heeft dan ook het initiatief genomen
om een nieuw hoofdgemaal te realiseren bij Vijfhuizen. Zo hopen
wij van ons overtollige water af te komen.
Met de ervaringen uit het verleden en een open
oog voor de toekomst blijft het waterschap
Groot-Haarlemmermeer de eisen en de uitdagingen waarvoor het water
ons stelt, namelijk een veilig en duurzaam waterbeheer, behartigen.
Drs. R. van Gaalen
Dijkgraaf Groot-Haarlemmermeer
Waterschap Groot-Haarlemmermeer in kort
bestek
Het waterschap Groot-Haarlemmermeer, gelegen tussen
de steden Haarlem, Amsterdam en Leiden heeft de zorg voor de waterkering
en de waterbeheersing in dit gebied.
Het beheersgebied, bijna 25.000 hectare groot, kenmerkt zich door
dynamische planologische ontwikkelingen. We noemen de uitbreiding
van luchthaven Schiphol, de uitvoering van grote infrastructurele
werken en de aanleg van natuur- en recreatiegebieden.
Door aanleg, beheer en onderhoud van dijken en
kaden beschermt het waterschap het gebied tegen overstroming.
Betrouwbare waterkeringen zijn hierbij van groot belang: bij een
dijkdoorbraak lopen niet alleen mensenlevens gevaar, maar ontstaat
er ook economische schade.
Bij waterkwantiteitsbeheer gaat het er om, dat
er niet te veel en niet te weinig water in het betreffende gebied
aanwezig is en dat het water bovendien niet te veel zout bevat.
Het water in de polderboezems en watergangen moet zoveel mogelijk
op het vastgestelde peil (niveau) gehouden worden. Dit peil wordt
gehandhaafd door de afvoer van overtollig water en de aanvoer
van water in geval van een tekort.
Het gebied van het waterschap moet niet alleen
worden beschermd en droog gehouden, maar ook optimaal gebruikt
kunnen worden door zowel inwoners, bedrijfsleven als recreanten.
Het gewenste waterpeil wordt gehandhaafd met behulp van meer dan
veertig grote en kleine gemalen verspreid over het gebied van
het waterschap.
U ziet, niet alleen droogmaken maar ook droog houden heeft heel
wat voeten in de aarde!
3 Ten geleide
Trots op de wijze waarop het waterschap zijn eeuwigdurende
taak van goed waterbeheer en zorg voor droge voeten steeds weer
aanpast aan veranderende omstandigheden en nieuwe technische mogelijkheden.
Eerbied voor en verbazing over de technische prestaties van ons
voorgeslacht bij de realisering van de Haarlemmermeer. Het zijn
deze gevoelens die tot het schrijven van dit boekje hebben geleid.
Trots ook op het nieuwe gemaal, maar evenzeer op de vernieuwing
van het museumgemaal
De Cruquius, een van de drie gemalen waarmee de polder drooggemalen
is.
Nu kan De Cruquius opnieuw laten zien hoe dit technisch mogelijk
was. De machtige cilinder en de pomparmen bewegen weer.
Gered door het Koninklijk Instituut van Ingenieurs toen het gemaal
niet meer nodig was voor het waterbeheer, wordt dit hoogtepunt
van onze waterstaatsgeschiedenis alweer zeventig jaar liefdevol
in stand gehouden door een club van enthousiaste vrijwilligers.
Geleidelijk is het uitgegroeid tot een museum over de geschiedenis
van de droogmakerijen, polders en bemaling in ons land en van
de wind- en stoomtechniek die daarbij werd en wordt toegepast.
Een zich in de loop der jaren steeds verjongende groep van ongeveer
vijftig vrijwilligers ontvangt de bezoekers, verzorgt rondleidingen
en houdt de installaties in stand. Het hele project om de grote
stoommachine weer in beweging te stellen is door technische vrijwilligers
opgezet, voorbereid, uitgewerkt en in eigen beheer uitgevoerd.
Hiernaast was ook een ingrijpende bouwkundige aanpassing van dit
Rijksmonument nodig. Onder de dijk, uit het zicht, werd een uitbreiding
gerealiseerd die tevens als nieuwe entree functioneert. De voor
dit project benodigde twee miljoen gulden is door een uit vrijwilligers
bestaande sponsorcommissie bijeengebracht met kleine en grote
bedragen van particulieren, bedrijfsleven en overheden.
De gehele Cruquiusfamilie is bijzonder trots op het bereikte resultaat
en zal ook in de toekomst klaarstaan om de gestaag groeiende stroom
bezoekers gastvrij te ontvangen. Nu het ons gelukt is om onze
directeur-conservator een fulltime dienstverband te bieden is
een professioneel beheer van ons vernieuwde museum gewaarborgd
en kan het zijn historisch-educatieve taak optimaal vervullen.
Dit boekje kan darbij van veel nut zijn.
Dr. ir. J. IJff
Voorzitter Stichting De Cruquius
4 Droogmakingplannen
en hun makers
Mede als gevolg van hevige stormen was het Haarlemmermeer
tussen 1530 en 1730 onrustbarend gegroeid: van 6585 tot 19500
morgen (hectare). De overheid ontving veel klachten over de voortdurende
wateroverlast. Op 1 januari 1616 veroorzaakte een hoge watervloed
verschillende dijkbreuken langs het IJ, waarbij enorme schade
veroorzaakt werd. Grote stukken land werden weggeslagen en de
dorpen Nieuwerkerk, Vijfhuizen en Rijk zouden zelfs geheel verdwijnen.
Het was in deze periode dat de eerste voorstellen
tot droogmaking van het Haarlemmermeer tot stand kwamen. Geen
enkel plan werd echter uitgevoerd. De belangen van de betrokken
instanties en steden speelden daarbij een grote rol. Zo was het
hoogheemraadschap van Rijnland sterk gekant tegen droogmaking
omdat het het verlies van zijn grote waterboezem, d.w.z. tijdelijke
opslagruimte voor overtollige water, vreesde. In geval van droogmaking
van het Haarlemmermeer zou de boezem teruggebracht worden tot
20% van zijn oorspronkelijke omvang. De totale oppervlakte van
Rijnlands watergebied bedroeg 22.700 hectare. Het Haarlemmermeer
alleen was al ruim 18.000 ha. groot.
Ook Haarlem had belangen die tegen droogmaking
pleitten: de stad was in economische zin voor een groot deel afhankelijk
van de scheepvaart, die via het Haarlemmermeer over het Spaarne
de stad kon bereiken. Leiden was tegen droogmaking omdat deze
stad evenals Haarlem belangrijke inkomsten uit de visserij, de
zogenaamde vroonrechten, op het Haarlemmermeer had en deze in
geval van droogmaking zou verliezen. Een zwaarwegend bezwaar van
de steden was daarnaast dat deze voor het verversen van het water
van de grachten, die in feite open riolen waren, afhankelijk waren
van het Haarlemmermeer.
Het eerste droogmakingplan voor de Haarlemmermeer
dat in 1617 ingediend werd bij de Staten van Holland met een verzoek
tot staatsoctrooi was van Anthonius de Hooch, burgemeester van
Gorinchem. Hierbij diende hij de kaart in die Gerbrant Meussz,
landmeter te Uitgeest, omstreeks 1615 had gemaakt (afb.1). Maar
Haarlem en Leiden hadden, zoals gezegd, totaal geen baat bij droogmaking
en dus ging het plan niet door. Het stadsbestuur van Haarlem ging
zelfs zo ver dat het op 22 mei 1617 een totale boycot van "diergelycke
versoucken" afkondigde. Ook de octrooiverzoeken van Van der
Linden uit 1624 gebaseerd op dezelfde kaart en van Meerman uit
1631 werden afgewezen, vooral omdat Leiden zich ertegen verzette.
In 1629 presenteerde Jan Adriaensz. Leeghwater
zijn eerste (afb.2) en in 1635 zijn tweede droogmakingplan. De
kaart die hij daarbij gebruikte had veel weg van die van Meussz.
In 1641 verschenen twee droogmakingplannen, een van Jan Bartelsz.
Veeris (afb.3) en het andere -opnieuw- van J.A. Leeghwater (afb.4).
Veeris’ droogmakingplan ging uit van in totaal 123 molens
en een schutsluis. Leeghwater nam het plan van Veeris in grote
lijnen over (copyright bestond toen nog niet!) maar hij dacht
160 molens nodig te hebben. Dit plan werd bekend als het Haerlemmer-Meer-Boeck
van Leeghwater waarvan de eerste druk in 1641 verscheen. In 1642
verscheen nog een boekje, van de hand van landmeter in Leidse
dienst C.A. Colevelt onder de titel Bedenckingen over het drooghmaken
van de Haerlemmer ende Leydsche Meer, honderd twee en zeventig
articulen.
Ook nu kwam het niet tot uitvoering van enig plan. Rijnland toonde
zich weliswaar positief maar de eerder genoemde steden hielden
vast aan hun bezwaren.
Leeghwater zat echter niet stil en voegde aan de
4e druk van zijn boek een hoofdstuk toe met de veelzeggende titel
En oock mede eenige Tegenspraeck van Colevelts Boeckxken. In totaal
zijn er maar liefst zeventien drukken van zijn boek verschenen,
waarvan dertien na zijn dood in 1650. De laatste uitgave dateert
uit 1838.
Ook de 18e eeuw kende verschillende droogmakingplannen. Genoemd
moeten hier worden het uit 1726 daterende plan van Daunis Project
omme het Haarlemmer Meyr droogh en tot vrughtbaar landt te maeken
en een betoog van een landmeter van Rijnland, C. Velsen (afb.5),
dat in theorie pleitte voor droogmaking van het Meer.
In 1742 verscheen een goed doortimmerd plan van
de hand van Cruquius, Bolstra en Noppen, die van Dijkgraaf en
Hoogheeemraden van Rijnland de opdracht gekregen hadden te komen
tot “een plan wegens de bedijking der Haarlemmer Meer”,
een jaar later gevolgd door dat van Zumbag de Koesfelt (afb.6).
De plannen verdwenen echter in de la bij de voorgaande exemplaren.
De droogmaking van het Haarlemmermeer bleef op deze manier echter
wel steeds een punt van aandacht!
In 1764 werd een prijsvraag uitgeschreven door de Hollandsche
Maatschappij der Wetenschappen om een voorstel te maken om het
meer te beteugelen onder de titel Welke zijn de beste en minst
kostbare middelen om het afneemen der oevers van het Haarlemmermeer
te beletten? Bij gebrek aan bevredigende inzendingen werd de prijsvraag
in 1766 herhaald.
Van de vijftien ingezonden ideeën werd dat van D. Meese uit
Franeker in 1767 met goud bekroond en gepubliceerd in de verhandelingen
van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen. Hij achtte
“droogmaking physiek onmogelijk” maar stelde voor
om ter beveiliging paalwerk langs de oevers aan te brengen met
aan de binnenzijde groen rijswerk. De oevers zouden vervolgens
beplant moeten worden.
Een in diezelfde tijd in het leven geroepen commissie zag echter
in drooglegging het beste middel tegen landverlies. De schout
van Aalsmeer, Slob, vond het allemaal veel te lang duren, hij
had liever een snelle oplossing. Een goede oeververdediging aan
de kant van Aalsmeer had zijn prioriteit. Zijn veranderde opvattingen
over het droogmalen van het Meer heeft hij op schrift gezet in
1766, in het boekje Redenen tegen het droogmaaken, en voor het
bedwingen der Haarlemmer-Meer, bijzonderlijk aan de kant van Aalsmeer.
In dat zelfde jaar werd er een nieuwe commissie ingesteld die
adviseerde om de gehele oostelijke oever bij Aalsmeer en de bedreigde
noordelijke oevers te verstevigen. Deze oeverwerken kwamen daadwerkelijk
tot stand en bleken goed te voldoen. Over het wel of niet droogmaken
van het Meer was de commissie echter verdeeld. Vier leden waren
tegen het droogmaken en tegen de Katwijkse uitwatering, de leden
Klinkenberg en Goudriaan bleven echter voor drooglegging en kwamen
in 1769 met een plan. Volgens dit plan zou het Meer met 112 molens
leeggemalen worden, waarna vijftig molens het water uit Rijnlands
boezem zouden lozen. De kosten voor de 19.000 bunders waren beraamd
op f. 9.000.000,-.
Op initiatief van Twent van Raaphorst, Minister
van Waterstaat van 1807-1810, werd uiteindelijk de Katwijkse uitwatering
gerealiseerd tussen 1804 en 1807. Ook voor het eventueel droogmalen
van het Haarlemmermeer was deze van groot belang vanwege de in
dat geval optredende verkleining van Rijnlands boezem. In 1808
kreeg A. Blanken Jansz., ingenieur van waterstaat in Maasland,
opdracht tot het maken van een plan. Zijn plan toonde sterke gelijkenis
met dat van Klinkenberg en Goudriaan uit 1769. Om de kosten te
drukken moest het plan worden herzien door zijn broer Jan Blanken
die als Inspecteur Generaal boven Arie geplaatst was. De geplande
schutsluizen werden geschrapt, want ”die geven alleen maar
schut- en lekwater”. Dit is ook de reden geweest dat er
bij de uiteindelijke Ringdijk geen schutsluizen gebouwd zijn.
Het was een goed doordacht plan maar geheel buiten Rijnland en
de groten steden om bedacht en bovendien tot stand gekomen tijdens
de Franse overheersing. Na de bevrijding in 1813 belandde ook
dit voorstel in de la.
In 1819 kwamen F.G. Baron van Lynden van Hemmen,
Jhr. Mr. O. Repelaer van Driel, en W.F. Baron Röell op verzoek
van Koning Willem I met een commercieel droogmakingplan. De Koning
gaf zijn goedkeuring onder voorwaarde dat de belangen van Rijnland
en Amstelland in acht genomen werden. In hetzelfde jaar schreef
de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen opnieuw een prijsvraag
uit voor een plan tot droogmaking van het Haarlemmermeer. Er kwamen
slechts twee inzendingen binnen. De eerste was van Du Tour onder
de titel Verhandeling over het Haarlemmer Meer (1819). Du Tour
droeg dit werkje op aan Van Lynden van Hemmen, Repelaer van Driel
en Röell uit waardering voor het door hen ontworpen plan.
De tweede inzending was van Jan Engelman: Verhandeling over de
droogmaking van het Haarlemmer Meer en aangelegen Veenplassen.
Hij wilde ook het Lutke Meer en de veenplassen bij Aalsmeer droogmaken.
Het malen zou moeten gebeuren met vijzelmolens die alle ter hoogte
van Halfweg op een voorboezem zouden lozen.
Omdat beide plannen niet bevredigend waren, kwam
Van Lynden van Hemmen met het idee om zijn eigen eerder genoemde
plan uit te werken en te publiceren. Zo zag zijn Verhandeling
over de droogmaking van de Haarlemmer Meer in 1821 het licht.
Bij dit boek verscheen ook een atlas met vier kaarten en een plaat.
Op deze plaat staan een paar “werktuigen ter uitmaling”
afgebeeld. Hij kwam als eerste met het plan om de droogmaking
alleen met trapsgewijs opgestelde stoomwerktuigen te realiseren.
Hij dacht achttien kleine stoomwerktuigen met hellende schepraderen
nodig te hebben om 17.000 bunders droog te maken. De kosten werden
begroot op f. 7.000.000,-. Rijnland had ook nu weer bedenkingen
en vroeg de Koning tijd om zich te beraden.
Er kwamen twee reacties op het plan van Van Lynden van Hemmen.
Het eerste -anonieme-werkje droeg de titel Vrije gedachten van
een ingeland van Rijnland over de Verhandeling van droogmaking
der Haarlemmer Meer, uitgegeven door den Heer F.C. Baron Van Lynden
van Hemmen. Volgens Fockema Andreae in zijn Wat er aan de droogmaking
van de Haarlemmermeer voorafging, is dit boekje geschreven door
de toenmalige secretaris van Rijnland P.G. Mess. Deze stond afwijzend
tegenover het plan van Van Lynden van Hemmen. Omdat Van Lynden
van mening was dat deze publicatie onwaarheden bevatte, reageerde
hij in hetzelfde jaar met Antwoord op de vrije gedachten van een
ingeland van Rijnland. Hierin stelde hij zich teweer tegen de
z.i. onjuiste beweringen.
De tweede reactie kwam van de Leidse hoogleraar Jacob de Gelder
met zijn geschrift Memorie op een ontwerp tot droogmaking van
het Haarlemmer Meer uit 1821. De Gelder toonde zich voorstander
van droogmaking maar viel Van Lynden van Hemmen vooral op details
aan. Ook deze kritiek wilde Van Lynden van Hemmen weerleggen wat
in 1822 gebeurde in een publicatie onder de titel Aantekeningen
op de memorie van den Hoogleeraar Jacob de Gelder. Opvallende
aan de reactie van De Gelder was dat hij als rijksambtenaar, waarschijnlijk
in opdracht van Rijnland, inging tegen een plan dat was gemaakt
in opdracht van de Koning!
Ook nu werd geen octrooi verleend. Waarschijnlijk
gaf de vrees voor ziekten in geval van droogmaking de doorslag.
In 1829 kwam A. de Stappers, Ingenieur bij de waterstaat in de
Zuidelijke Nederlanden, met zijn nogal aparte boekje met kaart
(afb.7). Mémoire sur le dessèchement du lac de Harlem
et sa conversion en forêt. Hierin stelde hij voor om een
afwateringskanaal recht van het Haarlemmermeer naar de Noordzee
te graven. Hij dacht twee jaar nodig te hebben, om het Meer en
omliggende veenplassen, in totaal 25.500 bunders, met door hem
zelf bedachte stoomwerktuigen leeg te pompen. Na de drooglegging
zou er een productiebos geplant kunnen worden dat dan na 150 jaar
een waarde zou hebben van
f. 400.000.000,-. Ook dit plan wordt niet gehonoreerd.
Het Meer bleef echter onvoorspelbaar en
gevaarlijk.
Op 29 november 1836 stuwde een hevige westerstorm het
water op tot voor Amsterdam en op 26 december van hetzelfde jaar
zette een storm uit het oosten Leiden en omgeving onder water.
Gedeputeerde Staten van Noord- en Zuid-Holland besloten daarop
Koning Willem I om maatregelen te vragen. Bij besluit van 7 Augustus
1837 benoemde Koning Willem I een commissie om de verschillende
ontwerpen voor drooglegging op hun waarde te toetsen, een eindontwerp
en een kostenraming te maken. Uiterlijk op 1 november 1837 moest
het bij de Koning worden ingeleverd. Het uiteindelijke plan behelsde
een verbeterde uitwatering bij Katwijk, plaatsing van een stoomgemaal
bij Spaarndam, indijking van het gehele Meer en het Kager Meer,
middels in totaal 79 molens. Ook waren er drie stoomgemalen met
vijzels van elk 40 pk. bedacht, die geplaatst moesten worden bij
het Lutke Meer, aan het Spaarne en aan de Kaag. Het gehele ontwerp
werd begroot op f. 8.355.000,-.
In februari 1838 werd een wetsvoorstel tot goedkeuring
van dit plan bij de Tweede Kamer der Staten Generaal ingediend.
Mede omdat er drie verschillende openbare werken in één
voorstel ingediend worden, werd het voorstel in april met 46 tegen
2 stemmen afgekeurd. De Tweede Kamer zag de drie onderwerpen nl.
de ijzeren spoorweg (een spoorweg van Amsterdam via Utrecht naar
Arnhem met een zijtak van Utrecht naar Rotterdam), het bedijken
en droogmaken van het Haarlemmermeer, en het aanleggen en verbeteren
van andere werken van algemeen nut, liever in drie afzonderlijke
voorstellen ingediend.
Op 19 maart 1839 werd het afzonderlijk ingediende voorstel tot
bedijking en droogmaking van het Haarlemmermeer aangenomen met
45 tegen 5 stemmen. Op 4 juni werd de commissie tot uitvoering
ingesteld door de Minister van Binnenlandse Zaken. Jhr. mr. D.T.
Gevers van Endegeest zou later als voorzitter en beschrijver van
de droogmaking het meest bekende commissielid worden. Deze commissie
adviseerde droogmaking (en droog houden) uitsluitend door middel
van stoomkracht. De stoomgemalen moesten geplaatst worden bij
de Kaag (Leeghwater), het Spaarne (Cruquius) en het Lutke Meer
(Lynden).
Een van de eerste activiteiten van de commissie was het onteigenen
van 1906 percelen grond, waarvan er 1629 nodig waren voor het
graven van de Ringvaart en het opwerpen van de Ringdijk.
Op 5 mei 1840 stak mr. F. van de Poll de eerste spade voor het
graven van de Ringvaart bij Hillegom in de grond. De droogmaking
was, na bijna twee eeuwen plannen maken, begonnen!
Het zou nog tot 4 augustus 1852 duren voordat de
staatscourant meldde: ”In de afgeloopen maand July is het
Haarlemmer Meer door de werking der machines en de gunstige weersgesteldheid
van het nog overgeblevene water ontlast, en alzoo droog geworden…”.
De totale kosten van de droogmaking bedroegen f. 13.789.377,-.
De gronden brachten bij verkoop f. 8.030.031,- op. Na verrekening
van wat oorspronkelijke baten, zoals inkomsten uit verpachting,
werd Nederland voor f. 4.412.115,- verlost van de “Waterwolf”.
Laten we nu nader kennismaken met de plannenmakers
aan wie belangrijke gemalen hun naam te danken hebben.
Jan Adriaansz. Leeghwater (1575-1650)
Meer dan tweehonderd jaar voordat daadwerkelijk
met de droogmaking werd begonnen presenteerde Leeghwater in 1629
zijn vermaarde plan tot droogmaking van het Meer met veertig gangen
van telkens vier boven elkaar geplaatste molens.
Jan Adriaansz, die later “in meer gevorderden ouderdom”
de naam Leeghwater zou gaan dragen, werd in 1575 in het dorpje
De Rijp geboren. Van beroep was hij timmerman. Hij bleek echter
veel meer capaciteiten te bezitten. Hij noemde zich soms “molenmaker”
en ook wel “ingenieur van de Rijp”.
Leeghwater was niet onbemiddeld. Hij bouwde voor
eigen gebruik een achtkante oliemolen met stampers, de eerste
van dit soort in Holland, in de buurt van De Rijp en Graft. Meer
dan 45 jaar heeft deze molen gewerkt en Leeghwater was dus ook
olieslager. Verder was hij bouwmeester, tegenwoordig zeggen we
architect, van het prachtige stadhuis van De Rijp.
Leeghwater was de grote man achter de drooglegging van de Beemster
in 1612, een meer van 7.200 ha. Na de aanvang van de droogmaking
in 1608 werd het meer met 26 windmolens in slechts vier jaar drooggemaakt.
Vele droogmakingsprojecten volgden, zoals de Purmer (1622), de
Wormer (1626), de Heerhugowaard (1631) en de Schermer.
De daadwerkelijke uitvoering van de droogmaking
van het Haarlemmermeer was een droom van Leeghwater. Hij achtte
zichzelf en zijn plannen ook bij uitstek geschikt voor dit gigantische
project. Dit valt onder meer af te lezen uit het gedicht van zijn
hand dat in de latere drukken van zijn Haerlemmer-Meer-Boeck staat
afgedrukt:
“Of yemandt mijn Meer-Boeck eens las,
En nae sijn sin niet wel en was,
Kan ’t die dan maecken (dat ’s een man)
Dat elck een behaghen kan.
Van als soo suyver ende klaer,
Dat niet en hapert hier of daer.
Dat’s een goedt Meester, welgeleerd,
Die nimmermeer iets maeckt verkeerd.
Die wint het spel, dit ’s mijn advijs,
En oock daer by die beste prijs.”
Vele deskundigen hebben in de loop der eeuwen
de plannen van Leeghwater kritisch bekeken. Zij kwamen tot de
conclusie dat hij niet de eerste plannenmaker was en zeker niet
de beste. Zoals we al zagen was bijv. het plan van Gerbrant Meuss
al twaalf jaar voor het eerste van Leeghwater gepresenteerd.
Ook de vraag of de grote maatschappelijke aandacht en waardering
voor Leeghwaters prestaties wel terecht is wordt niet langer unaniem
positief beantwoord.
Het in 1641 van de hand van Jacob Bartelszoon Veeris verschenen
droogmakingsplan werd door Leeghwater zonder scrupules gebruikt
in zijn vervolgplannen. Van de inhoudelijke kritiek van Colevelt
op zijn Haerlemmer-Meer-Boeck maakte Leeghwater zich wel wat erg
gemakkelijk af. Ook een wetenschapper als Ramaer vond de plannen
van Leeghwater vaak onder de maat en zijn pretenties te groot.
De naam die Leeghwater in de loop der eeuwen heeft gekregen als
droogmakingsdeskundige dekt in het geval van zijn Haarlemmermeerplannen
niet de lading: zijn presentatie pretendeerde meer dan de inhoud
van zijn plan rechtvaardigt.
Frans Godard Baron van Lynden van Hemmen
(1761-1845)
Van Lynden van Hemmen werd in 1761 in Utrecht geboren.
Hij studeerde rechten en was, naast veel andere zaken, geïnteresseerd
in waterbouwkunde.
Aanvankelijk was hij verbonden aan het hof van Prins Willem V.
Tijdens de Franse overheersing legde hij uit protest hiertegen
al zijn ambtelijke functies neer.
Nadat het Huis van Oranje in de persoon van Willem I in1815 het
koningschap had aanvaard kreeg hij een hoge ambtelijke functie.
Hij werd benoemd tot president van de Hoge Raad van Adel, was
lid van de Eerste Kamer en curator van de Rijksuniversiteit Leiden.
Het vraagstuk van de droogmaking van het Haarlemmermeer en de
daarmee samenhangende problemen spraken hem sterk aan. In de droogmakinggeschiedenis
van het Haarlemmermeer is hij één van de meest vooraanstaande
plannenmakers. In 1821 publiceerde hij zijn beroemd geworden boek
Verhandeling over de droogmaking van het Haarlemmermeer. Het daarin
ontvouwde plan vormde, weliswaar op vele punten aangevuld en verbeterd,
uiteindelijk de basis voor de daadwerkelijke droogmaking.
In de verhandeling van Van Lynden is voor het eerst
na vele andere, niet haalbare, plannen sprake van de toepassing
van stoomkracht bij de droogmaking. Van Lynden dacht maar liefst
achttien stoomgemalen nodig te hebben!
Hij maakte de uitvoering van de eerste stappen van de droogmaking
nog mee.
Op 18 april 1845 overleed Baron van Lynden van Hemmen, 86 jaar
oud.
Nicolaas Samuelsz. Cruquius (1678-1754)
Cruquius legde in 1698 met goed gevolg het landmetersexamen
af. Enkele jaren later begon hij met zijn jongere broer en vakgenoot
Jacob met het doen van meteorologische metingen. De resultaten
hiervan worden tot op de dag van vandaag gebruikt bij klimaatstudies.
In 1706 stierf Jacob tijdens hun werk voor het Hoogheemraadschap
van Delfland. Cruquius werkte alleen verder en voltooide de opdracht
enige jaren later.
In 1716 begon hij met een studie medicijnen. Na
het kandidaatsexamen gehaald te hebben nam hij echter zijn vak
als cartograaf en landmeter weer op. In 1720 komt de dan nog zelfstandig
werkende landmeter Cruquius met een plan voor een uitwateringssluis
te Katwijk, dit op verzoek van de burgemeester van Leiden, Johan
van den Bergh om een betere doorspoeling van de Leidse grachten
te bereiken.
Van den Bergh werd later dijkgraaf van het Hoogheemraadschap van
Rijnland. En dat had tot gevolg dat de opvattingen van het hoogheemraadschap
ten aanzien van de droogmaking veranderden.
In 1723 werd Cruquius lid van de Royal Society in Londen. Een
jaar later ging hij zich bezighouden met getijdestromen en veranderingen
in de rivierlopen. In deze periode maakte hij zijn beroemde Merwede-kaarten.
Vervolgens aanvaardde hij een functie bij het hoogheemraadschap
van Rijnland. Zijn standplaats werd Spaarndam waar hij ook schout
werd. Hij verhuisde derhalve van Rijnsburg, waar hij het huis
bewoonde dat zijn vader hem nagelaten had, naar Spaarndam.
Cruquius zorgde ervoor dat het Amsterdams Peil naar Katwijk werd
overgebracht. Samen met Bolstra en Noppen ontwikkelde hij in 1742
een plan annex begroting voor de droogmaking van het Meer. Dit
zou zijn laatste grote project zijn; Cruquius werd langzaam blind.
Op 5 februari 1754 stierf Nicolaas Cruquius. Hij werd begraven
in het dorpskerkje van Spaarndam.
Melchior Bolstra (1704-1776)
Bolstra aanschouwde het levenslicht in het friese
Makkum. Van zijn vroege jaren is niet veel bekend. In 1731 werd
hij landmeter bij het hoogheemraadschap van Rijnland. Hij ontwikkelde
zich tot een deskundig cartograaf van met name Midden-Holland
en er zijn zeer veel handgetekende rivierkaarten van zijn hand
bewaard gebleven. Ze zijn voor het grootste deel in het bezit
van Rijnland.
Bolstra won tweemaal, in 1754 en 1755, waterstaatkundige prijsvragen
die waren uitgeschreven door de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen.
Naast het landmeterschap van Rijnland had Bolstra ook het toezicht
op rivieren als de Lek, de Waal en de Merwede die vaak buiten
hun oevers traden en schade veroorzaakten.
De Staten van Noord-Holland en West-Friesland verzochten hem herhaaldelijk
om rapporten op te stellen over de mogelijkheden tot beteugeling
van het steeds groter wordende Haarlemmermeer. Men dacht hierbij
zowel aan versterking van de oevers als aan de droogmaking van
het meer. Aan deze rapporten werden door hem kaarten als bijlage
toegevoegd.
Mede van zijn hand verschenen, zoals gezegd, plannen tot droogmaking
van het Haarlemmermeer waarvan enkele tot de meest uitgewerkte
en best gedocumenteerde kunnen worden gerekend. Een daarvan, uit
1742 daterend, zou de basis leggen voor de discussie die uiteindelijk
tot goedkeuring van het definitieve droogmakingsplan zou leiden.
In de jaren na 1760 vond, door onderlinge geschillen tussen Rijnlandse
waterstaatkundigen, waaronder Bolstra, geen besluitvorming plaats
over de droogmaking van het meer.
De oeverbescherming waartoe in 1767 door de Staten werd besloten,
leek redelijk aan zijn doel te beantwoorden. Nadien zou zich nog
een tientallen jaren durende discussie ontspinnen over wel of
niet droogmaken.
Bolstra overleed in 1776. Hij werd in de Hooglandse Kerk in Leiden
begraven.
5 De rol van Koning Willem
I bij de droogmaking van het Haarlemmermeer
Koning Willem I (1772-1843) regeerde van 1815 tot
1840, nadat hij een jaar lang soeverein vorst was geweest over
de Noordelijke en Zuidelijke Nederlanden en Luxemburg. Hij erfde
van zijn revolutionaire franse voorgangers een goed toegeruste
waterstaatsdienst. Zijn streven was om een nationale eenheidsstaat
te bevorderen; het algemeen belang ging voor hem boven het regionaal
belang.
Het was vooral aan het doorzettingsvermogen van deze vorst te
danken dat uiteindelijk door het parlement een plan tot droogmaking
werd vastgesteld én aangenomen. Het werd één
van de vele openbare werken, waaronder met name de aanleg van
wegen en kanalen, die in deze regeringsperiode werden gerealiseerd.
Welke rol speelde Koning Willem I nu concreet bij de droogmaking
van het Haarlemmermeer?
In 1819 gaf de koning toestemming om te komen tot
“een onderneming van droogmaking”. Dit betekende,
kort gezegd, dat de vorst liet onderzoeken of er belangstelling
en steun bestond voor inpoldering van het Haarlemmermeer. Een
jaar later ontving hij een positief rapport. De situatie veranderde
echter toen door een crisis in de landbouw de grondprijzen drastisch
daalden. Daarmee werd de belangstelling voor inpoldering veel
minder wat tot gevolg had dat de plannen in 1823 opnieuw op de
lange baan geschoven werden.
Toen in de winter van 1836 twee zware stormen het
water van het Haarlemmermeer zo hoog opstuwden dat Amsterdam en
Leiden erdoor bedreigd werden vroeg burgemeester Van de Poll van
Amsterdam aan Koning Willem I om in te grijpen. In 1837 stelde
de koning daarom een staatscommissie in die de bestaande droogmakingsplannen
op hun uitvoerbaarheid moest beoordelen.
Het rapport van de commissie was al na twee maanden klaar en bevatte
het voorstel om de droogmaking uit te voeren met behulp van drie
kleine stoomgemalen en 79 grote windmolens. De koning, fervent
voorstander van bemaling uitsluitend op stoomkracht, gaf daarom
opdracht aan de commissie Mentz om de mogelijkheid daartoe gericht
te onderzoeken.
In september 1839, maar liefst twintig maanden na het geven van
de opdracht, verscheen een miniem rapportje, waaruit slechts bleek
dat de vier leden van de commissie het niet met elkaar eens waren.
In het najaar van 1840, na een tweede opdracht aan de commissie
in andere samenstelling adviseerde deze ten gunste van stoombemaling.
Het voorstel tot droogmaking van het Haarlemmermeer
moest echter ook nog door de Tweede Kamer goedgekeurd worden.
In april 1838 werd het plan verworpen met 46 stemmen tegen en
slechts twee stemmen voor. Deze uitslag was vooral te wijten aan
het feit dat het plan tot droogmaking van het Haarlemmermeer gekoppeld
was aan o.a. het voorstel tot aanleg van de Rijnspoorweg. Op 22
maart 1839 werd een nieuw wetsvoorstel tot droogmaking van het
Meer echter aangenomen met een zeer ruime kamermeerderheid. De
koning ondertekende nog op dezelfde dag de eerste wet betreffende
een geldlening voor dit project van acht miljoen gulden. Na drie
eeuwen plannen maken kon de droogmaking beginnen!
Men heeft vaak de vraag gesteld waarom er gekozen
is voor drooglegging en niet voor beteugeling van het Haarlemmermeer.
Op deze vraag zijn meerdere antwoorden te geven.
In de eerste plaats paste droogmaking beter in des konings politiek
van nationale welvaartsbevordering dan beteugeling van het Meer.
Het project van de droogmaking beloofde -zowel op korte als op
lange termijn- werkgelegenheid en welvaartsgroei voor veel mensen.
Er zou immers werkgelegenheid ontstaan als gevolg van de inpoldering,
het droogmaken en de verkaveling van de poldergronden.
Daarnaast was de koning was, zoals boven gezegd, sterk voor bemaling
met behulp van stoomgemalen. Hij meende dat een bijkomend voordeel
daarvan zou zijn dat dit voor o.a. de ijzergieterijen en voor
de turfstekers in Drente werk zou opleveren. Helaas bleek het
gebruik van turf voor de opwekking van stoom in de machines niet
haalbaar en moest (dure) steenkool uit het buitenland ingevoerd
worden. Hiermee was echter de scheepvaart weer wél gediend.
Blijvende veiligheid voor de omwonenden van het
Meer en ontwikkeling op de langere termijn van de landbouw in
het westen van ons land speelden uiteraard een belangrijke rol
bij de keuze voor inpoldering.
Vanaf het begin stond vast dat de Haarlemmermeerpolder een landbouwbestemming
zou krijgen. Dit lag voor de hand omdat de droogmaking niet ingegeven
was door behoefte aan meer grondgebied maar door de wens om de
dreiging van het water voor eens en voor altijd teniet te doen.
In de landbouw zou natuurlijk ook weer ruim werkgelegenheid zijn
voor grote aantallen mensen en in het relatief dichtbevolkte westen
was extra voedsel bovendien zeer welkom. Verbouwen, verhandelen
en vervoeren van dit voedsel bracht letterlijk en figuurlijk brood
op de plank!
Ook de volgende koningen waren betrokken bij de
drooglegging van het Haarlemmermeer.
Koning Willem II (1792-1849) bekrachtigde op 10 juli 1847 de overeenkomst
tussen het Rijk en het hoogheemraadschap van Rijnland met betrekking
tot het behartigen van de belangen van Rijnland bij de algehele
afsluiting van het droog te maken Haarlemmermeer. Hij was het
ook die invloed uitoefende op de architectuur van de gemalen.
De vorst was tijdens zijn studie in Oxford zeer onder de indruk
geraakt van de in Engeland zeer populaire neogotische bouwstijl
waarin nieuwe bedrijfsgebouwen en fabrieken werden opgetrokken.
Koning Willem II toonde zich een invloedrijk voorvechter van het
toepassen van deze stijl bij de bouw van de stoomgemalen aan het
Haarlemmermeer. Daarnaast verwees deze bouwstijl naar Engeland
als bakermat van de moderne stoomtechniek.
De droogmaking werd voltooid in 1852, tijdens de
regering van Koning Willem III
(1817-1890). In 1859 verleende deze koning een wapen aan de Haarlemmermeerpolder
“hetwelk vertoont een werkend stoomgemaal, op nieuw gewonnen
land boven woelige golven staande.” Dit gemaal is de Cruquius
en draagt de letters WI, Willem I, als hommage aan de vorst die
zich zo sterk maakte voor de droogmaking van het Haarlemmermeer.
6 De droogmaking
De Rijkscommissie van Beheer en Toezicht over de
droogmaking werd belast met het regelen van alle zaken de droogmaking
betreffende. Deze commissie werd op 4 juni 1839 geïnstalleerd.
Voorzitter van de commissie werd mr. F. van der Poll. Hij werd
al vrij snel opgevolgd door Jonkheer mr. D.T. Gevers van Endegeest,
die tot de opheffing van de commissie voorzitter zou blijven.
Gevers van Endegeest schreef in zijn onvolprezen boek Over de
droogmaking van het Haarlemmermeer: “Een nader besluit van
22 mei benoemde die commissie. Hare werkzaamheden waren eervol,
slechts de reiskosten werden vergolden, doch later in verband
tot algemeene bezuinigingen tot de helft ingekort.”
De commissie werd algemeen bekend als ’De droogmakingscommissie’.
Pas eind 1840 werd, op basis van rapportage van
de ingenieurs A. Lipkens, G. Simons en M.G. Beijerinck die deel
uitmaakten van de tweede commissie Mentz, besloten dat stoom de
beweegkracht zou zijn van de werktuigen nodig voor de droogmaking.
Het formele besluit zou in 1843 volgen.
Het rapport van de drie ingenieurs ging uit van het algemeen erkende
beginsel dat de werktuigen van droogmaking tevens tot drooghouding
moesten dienen, en dat het het voordeligst zou zijn alleen werktuigen
te gebruiken met een vermogen zoals ‘de drooghouding’
dat vereiste.
Intussen waren duizenden arbeidskrachten al maanden
bezig met de grootste en misschien ook zwaarste klus van die tijd:
het graven van de ruim 60 km. lange ringvaart van de Haarlemmermeerpolder,
kortweg de Ringvaart genaamd. Men volgde daarbij zoveel mogelijk
de bestaande oever. Met het uitgegraven materiaal werd tegelijkertijd
de ringdijk van de Haarlemmermeer opgeworpen, algemeen bekend
als de Ringdijk.
Op 5 mei 1840 was door F. van de Poll door het steken van de eerste
spade en het opkruien van de eerste zode aarde het startsein tot
de droogmaking gegeven. Dit gebeurde achter de hoeve Treslong
bij Hillegom.
Terwijl het graven onafgebroken voortging boog
de droogmakingscommissie, waarvan inmiddels ook de ingenieurs
P. Kock en J.A. Beijerinck lid geworden waren, zich in 1842 over
een ontwerp voor een stoomgemaal. Het moest een capaciteit krijgen
van 350 pk en gebaseerd zijn op de constructie en uitvoering van
de stoomwerktuigen die in Cornwall, Engeland, werden gebruikt
voor het uitpompen van water uit de tinmijnen.
Dit type machine paarde een hoog rendement aan grote zuinigheid.
In Engeland moesten geringe hoeveelheden water over grote hoogteverschillen
worden verpompt terwijl in het geval van de droogmaking van het
Haarlemmermeer grote hoeveelheden water over een kleine hoogte
moesten worden getransporteerd. Het Nederlandse ontwerp vereiste
daarom forse aanpassingen.
De Engelse ingenieurs J. Gibbs en A. Dean leverden tekeningen
van de gewijzigde zogenaamde Cornish Engine op zuigpompen toegepast
in plaats van op dompelaarspompen. De grootste machinefabriek
in Cornwall fabriceerde de stoommachine. Dean ontwierp ook de
pompen, waarbij Lipkens hem adviseerde.
J.A. Beijerinck maakte de bestekken voor de gemaalgebouwen. Hij
wordt dan ook als de architect en bouwmeester van de gemalen beschouwd.
De Cornish Engine werd gekenmerkt door een stoomcilinder
die via een grote balans of wip een pompstang aandreef. Voor de
gemalen van het Haarlemmermeer besloot men echter de centrale
cilinder meerdere pompen te laten aandrijven. Dit gaf de Haarlemmermeerse
gemalen hun kenmerkende uiterlijk: een rond gebouw, waaruit de
op en neer bewegende balansarmen steken.
Na het graven van de Ringvaart en het opwerpen
van de Ringdijk rond het Haarlemmermeer begon ”het proefstoomtuig”
de Leeghwater op 22 juli 1845 met zijn werk. Op basis van de proeven
met dit gemaal werd een aantal noodzakelijke wijzigingen doorgevoerd
in het latere ontwerp voor de gemalen de Lynden en de Cruquius.
De Leeghwater werd op 7 juni 1848 in bedrijf gesteld en begon
alleen aan de droogmaking van het Meer. De Lynden startte op 30
maart 1849, drie weken later, op 19 april, gevolgd door de Cruquius.
Door deze gemalen werd in drie jaar en drie maanden
tijd ruim 800 miljoen m³ water uit het Haarlemmermeer gepompt.
Er waren 14.004.032 pompslagen nodig om het karwei tot een goed
einde te brengen.
Zo werd in 1852 het Haarlemmermeer uiteindelijk de Haarlemmermeer.
De droogmakingscommissie bleef ook na 1852 nog
actief. Onder haar verantwoordelijkheid werd de polder verkaveld
en de grond tussen 1853 en 1855 verkocht.
Op 27 augustus 1855 werd het waterschap De Haarlemmermeerpolder
ingesteld en op 14 mei 1856 nam het polderbestuur de polder over
van de Commissie van Beheer en Toezicht.
Deze werd in 1858 in alle stilte opgeheven.
7 De gemalen
a Gemaal Leeghwater
De eigenlijke bouw van de Leeghwater startte in
januari 1843, voor een aanbestedingsbedrag van f 161.000,-. De
plaats van het gemaal, aan de zuidzijde van de Ringdijk bij het
dorp De Kaag, werd gekozen omdat het daar uitgeslagen water het
snelst kon wegvloeien naar de Katwijkse uitwatering.
Bij de bouw van dit proefstoomgemaal speelden ook
eerzucht en prestige een rol. Commissie-voorzitter Gevers van
Endegeest schrijft daarover: “Hadden wij slaafs gevolgd
het beste werktuig dat bekend was, oh ja! onze verantwoordelijkheid
gedekt. Wij wilden dat Nederland niet zou volgen maar zou voorgaan”.
Het gebouw rustte op 1000 dennen en 400 eiken palen.
Op 15 juli 1843 legde Jhr. mr. D.T. Gevers van Endegeest officieel
de eerste steen van gemaal Leeghwater, vernoemd naar de beroemde
Jan Adriaansz. Leeghwater.
Na langdurige onderhandelingen werden de stoommachine
en de elf pompen en buizen bij de fabrikanten Fox & Co. en
Harvey & Co. in Cornwall besteld omdat de Engelse offertes
lager waren dan de Hollandse.
Om de Nederlandse werkgelegenheid te bevorderen werden de elf
balansen, elk 10 m. lang en 10.000 kg. zwaar, en de vijf stoomketels
besteld bij Paul van Vlissingen en Dudok van Heel, het latere
Stork, in Amsterdam.
De bouw van het gemaal verliep niet steeds voorspoedig.
Er waren lange levertijden, terwijl de communicatie met de Engelse
fabrikant nogal moeizaam verliep. Daarnaast ontstond er vorstschade.
Op 22 juli 1845, de Ringvaart was toen op enkele kleine delen
na voltooid, maakte het gemaal zijn eerste slag. Het duurde vervolgens
enige dagen voordat men de werking dusdanig onder controle had,
dat de zuiger en de pompen goed op elkaar waren afgesteld.
In september zou het eerste echte proefdraaien van het stoomwerk
plaats vinden.
Gevers van Endegeest schrijft in Over de droogmaking van het Haarlemmermeer
hierover het volgende: “Het was een angstig maar treffend
oogenblik, toen voor het eerst de kolos bewoog en dadelijk werkte;
nog onvolmaakt, het is waar, maar toch, hij werkte! Wat nog slechts
in het menschelijk brein had bestaan, was wezenlijkheid geworden;
het gevaarte stond daar in zijn geheel, groot, eenvoudig, krachtig,
eenig in zijn soort, en zich bewegende!”.
Na uiterst moeizame onderhandelingen met het hoogheemraadschap
van Rijnland over de overbelasting van de boezem als gevolg van
de droogmaking van het Haarlemmermeer werd pas op 1 mei 1848 een
akkoord bereikt. Na de insluiting van het Meer door de Ringdijk
op 29 mei 1848 kon op 7 juni 1848 de Leegwater het Meer gaan bemalen.
Dit gemaal was, zoals we al eerder schreven, tot ver in het voorjaar
van 1849 alleen in bedrijf. Toen traden ook de Lynden op 30 maart
en de Cruquius op 19 april in werking.
De droogmaking was een gewaagde onderneming, nooit
eerder was stoom op zo grote schaal toegepast, en eerdere -kleinschaliger-
toepassingen waren maar matig succesvol geweest.
Tijdens de droogmaking bleek dat het gemaal Leeghwater uitermate
ongunstig gesitueerd was. Het moest vaak ‘tegen de stroom
in’ malen. Ook het gemaal zelf had regelmatig met technische
problemen te kampen. Zo brak in 1850 de pompbalans, waardoor het
gemaal geruime tijd buiten werking was.
Tot 1912 functioneerde De Leeghwater op stoomkracht. Sindsdien
leverden afwisselend diesel- en elektromotoren de kracht die nodig
is om de beide centrifugaalpompen de polder te laten droog houden.
Tegenwoordig wordt de Leeghwater alleen nog in bedrijf gesteld
wanneer het gemaal Lynden in geval van bijvoorbeeld zware regenval
het water niet alleen verwerken kan. Reden voor het zo min mogelijk
gebruiken van de Leeghwater als reservegemaal is het hoge zoutgehalte
van het water in de bodem van de Haarlemmermeerpolder. Voortdurende
uitmaling hiervan zou het kwetsbare watermilieu in de wijde omgeving
van het gemaal, waaronder de Kagerplassen, al te nadelig beïnvloeden.
Door alle verbouwingen in verband met de technische
aanpassingen door de jaren heen is het oorspronkelijke neogotische
uiterlijk van het gemaal Leeghwater helaas bijna geheel verloren
gegaan.
b Gemaal Lynden
Vier jaar na de dood van Frans Godard Baron van
Lynden van Hemmen werd op 19 april 1849 het naar hem genoemde
gemaal Lynden officieel in werking gesteld.
De Lynden werd gebouwd ongeveer 300 meter ten oosten van het Lutke
Meer onder Sloten. Het stoomvermogen van dit gemaal was even groot
als dat van de Leeghwater, te weten 350 pk. Het gemaal kreeg op
basis van de ervaringen met zijn voorganger geen elf maar slechts
acht pompen. Bijkomende voordelen hiervan waren dat deze aanpassing
de machine minder topzwaar maakte en dat er meer werkruimte kwam
wat de veiligheid van de werknemers vergrootte.
De stichtingskosten van het gemaal Lynden bedroegen in totaal
f. 542.239,-. De sterk gestegen metaalprijzen maakten de bouw
van zowel de Lynden als de Cruquius in verhouding tot de Leeghwater
zeer veel duurder.
Architect van het gemaalgebouw was J.A. Beijerinck
en de aannemer de firma De Laat uit Dordrecht.
De leverancier van het eigenlijke stoomwerktuig en de pompen van
de Lynden was de Engelse fabriek Fox & Co. en de leverancier
van de overige delen van de stoomwerktuigen en de balansen en
de ketels waren evenals bij de Leeghwater de fabrikanten Paul
van Vlissingen en Dudok van Heel te Amsterdam.
Toen het Haarlemmermeer na 39 maanden malen droog
viel bleken de door stoommachines aangedreven pompen niet in staat
om de polder naar tevredenheid droog te houden. Dit vond zijn
oorzaak vooral in de onvoldoende waterberging en de te ‘zuinige’,
d.w.z. met te weinig wegen en te weinig waterlopen aangelegde
polder.
Modernere stoommachines namen die taak later met beter resultaat
over. Nadien werd overgegaan tot gedeeltelijke elektrificatie
van de Lynden. Het gemaal kreeg in de loop der jaren dan ook te
maken met een aantal verbouwingen en aanpassingen. We noemen er
hier enkele.
Al in 1856 waren er reparaties en vernieuwingen aan het stoompompgebouw
nodig om een halt toe te roepen aan het water dat vanuit de Ringvaart
onder het gemaal door en erachter langs naar de Hoofdvaart sijpelde.
Verder werden door verzakking ontstane scheuren gedicht bij de
grote scheidingsmuur en vleugels tussen het hoofd- en het ketelgebouw.
In 1862 werd de fundering van de noordwestelijke waterloop gewijzigd.
Als gevolg van de hoge kosten van onderhoud en het grote kolenverbruik
werd het gemaal in 1893 gereconstrueerd. Vanaf dat moment verschilde
de Lynden dus definitief van de van oorsprong identieke Cruquius.
Vanwege de plaatsing van twee nieuwe centrifugaalpompen werden
toen namelijk twee vleugels aan het gemaal gebouwd en verdwenen
de pomparmen.
De ene pomp werd met stoom aangedreven en de andere -vanaf 1919-
met een elektromotor. Deze motor was overigens niet nieuw. Hij
had aanvankelijk dienst gedaan als generator in de eerste elektrische
centrale van Noord-Holland in Naarden. In de Lynden was de werking
omgekeerd aan die in de elektrische centrale: daar functioneerde
hij om stroom te leveren en in de Lynden werd stroom gebruikt
om een draaiende kracht te leveren.
Voordeel van de elektromotor was dat men zodra het nodig was kon
‘draaien’. Bij een stoommachine waren steeds enkele
uren van voorbereidende handelingen nodig om zover te komen.
In 1953 werd de stoommachine door de controledienst
van het Stoomwezen afgekeurd. Hij werd verwijderd en vervangen
door goedkoper werkende dieselmotoren. Deze werden op hun beurt
in 1968 vervangen.
Tot 1987 werd met beide motoren gedraaid; toen werd een van de
pompen geëlektrificeerd.
Sinds het begin van de jaren 1990 is met de invoering
van een automatiseringsplan het waterbeheer van de Haarlemmermeerpolder
nog effectiever geworden. De Lynden speelt hierbij een grote rol.
Onderdeel van dit plan is, naast het meten en registreren van
peilen en debieten (hoeveelheid aangeboden water) door middel
van telemetrie-elektronica, extra aandacht te geven aan meldingen
van peiloverschrijdingen en storingen. Dit gebeurt vanaf de verschillende
bemalingsinstallaties in het gebied naar een centrale alarmpost
en wordt doorgegeven aan de automatische besturing van het waterbeheer
om een optimale bemaling te realiseren. De ernst van storingen
bijvoorbeeld kan nu direct via de computer in de Lynden beoordeeld
worden, terwijl ook meteen wordt aangegeven hoe de problemen kunnen
worden verholpen. Zo is het ook mogelijk de bemaling te programmeren
rekening houdend met de weersverwachtingen. De Lynden is met zijn
tijd meegegaan!
c Gemaal Cruquius
Na ruim 84 jaar trouwe dienst kwam er op zaterdag
10 juni 1933 een definitief einde aan de werkzame jaren van gemaal
Cruquius als een van de drie stoommachines waarmee het Haarlemmermeer
werd drooggemaakt en de Haarlemmermeer werd droog gehouden.
De balansarmen kwamen tot stilstand en steken sindsdien bewegingloos
uit de machinetoren.
Op dezelfde dag werden het gemaal en de dienstwoningen
door het bestuur van de Haarlemmermeerpolder voor het symbolische
bedrag van 1 gulden per jaar overgedragen aan het Koninklijk Instituut
van Ingenieurs KIVI, op voorwaarde dat het gemaal monument zou
worden. Op 22 oktober 1933 werd de Stichting Museum De Cruquius
opgericht, met de bedoeling gemaal Cruquius in gebruik te nemen
als eerste museum in Nederland voor de industriële geschiedenis.
Een deel van het interieur, namelijk de unieke
stoommachine en de acht waterpompen, is nog intact; alle zes afgekeurde
stoomketels werden in 1935 gesloopt en verwijderd. Slechts één
ketelfront is nog aanwezig.
Het gemaal is, evenals de Lynden en de Leeghwater, op de Rijksmonumentenlijst
geplaatst. De Cruquius staat bovendien op de ’Lijst van
100’, waarop door de overheid het belangrijkste culturele
erfgoed van Nederland is geplaatst.
Het museumgemaal wordt beheerd door genoemde stichting en een
vriendenvereniging levert actieve ondersteuning.
Het Haarlemmermeer werd de eerste droogmaking van
grote omvang die uitsluitend door stoommachines werd gerealiseerd.
Tijdens de bouw en de werkzame jaren bezochten vele duizenden
bezoekers uit binnen- en buitenland deze exponent bij uitstek
van het stoomtijdperk.
Het jaar 1991 is voor het gemaalmuseum zeer gedenkwaardig. De
Cruquius werd toen namelijk door de American Society of Mechanical
Engineers uitgeroepen tot International Historic Mechanical Engineering
Landmark. En terecht! Gemaal Cruquius maakt door zijn verschijning
en geschiedenis elke keer weer grote indruk op de talrijke bezoekers
en passanten.‘Mammoet in de polder’, ‘Negende
wereldwonder’, ‘De Moloch’ zijn termen die men
gebruikt(e) om het ontzag voor dit bijzondere stoomgemaal te verwoorden.
Men kon in de negentiende eeuw, toen besloten werd
dat “stoom de beweegkracht zou zijn der werktuigen, benodigd
voor de droogmaking”, niet bevroeden dat ook veel later
nog over de Cruquius gesproken zou worden als over een technisch
hoogst uitzonderlijke machine.
Het gemaal Cruquius was op 19 april 1849 het derde
gemaal op rij dat de bemaling van het leegmalen van het Meer realiseerde.
De kosten die met de bouw van het gemaal gemoeid waren bedroegen
in totaal f. 554.376,- en de Cruquius was dus evenals de Lynden
aanzienlijk duurder dan de Leeghwater. Dit was deels het gevolg
van de gestegen metaalprijzen. Er was echter nog een oorzaak.
Bij de aanleg van de fundering van het gemaal ontstonden grote
problemen, die voor een tijdverlies van vier maanden en extra
financiële tegenvallers zorgden. Op de plaats waar de Cruquius
gebouwd zou worden, een kleine landtong in de monding van het
Spaarne, stuitte men tijdens het graven van de bouwput op onvaste
grondlagen, bestaande uit schelpen en loopzand. Het water bleef
daaruit opborrelen en de bouwput liep keer op keer vol water.
Voortdurend leegpompen van de put bleek noodzakelijk. Veel van
de zestienhonderd houten heipalen waarop de Cruquius gebouwd moest
worden zakten weg of moesten om andere redenen vervangen worden.
Pas toen de bouwput extra verstevigde wanden gekregen had kon
de bouw van het gemaal zelf van start gaan. Ook tijdens het leegmalen
van het Meer had de Cruquius van tijd tot tijd te kampen met tegenslagen.
Zo brak in 1851 de gewichtsbak waaraan de balansarmen bevestigd
zijn en lag het gemaal twee maanden stil. Maar over het geheel
genomen heeft dit gemaal toch het best gefunctioneerd en de meeste
pompslagen gemaakt.
Ook de machine van de Cruquius werd in Cornwall
gebouwd.
De verticaal geplaatste, nog aanwezige, stoomcilinder weegt 25
ton en heeft een diameter van 3.66 meter. Daarmee is de cilinder
de grootste ter wereld. De machine leverde aanvankelijk 350 en
later 500 pk en verbruikte een ton kolen per uur.
Evenals bij de Lynden het geval was, zijn bij de Cruquius aan
de zuiger acht armen bevestigd die, balancerend op de twee meter
dikke muren van het gebouw, als hijskranen uit de ramen steken.
Buiten zitten aan die armen de stangen waarmee het water met acht
zuigpompen uit het Haarlemmermeer werd gehaald. Elk van de pompen
heeft een diameter van 1.85 meter en voerde per slag 8000 liter
water op dat via een sluisje naar de Ringvaart stroomde.
De stoommachine maakte ongeveer vijf slagen per minuut. Aanvankelijk
kon de machine de acht pompen tegelijk bedienen. Naarmate het
water echter dieper weggemalen moest worden werd dit moeilijker
en werden er pompen afgekoppeld.
Het was de grote wens van alle bewonderaars en
vrienden van het museumgemaal dat er ooit weer ‘beweging’
zou komen in de Cruquius. Jarenlang is een groep enthousiaste
mensen bezig (geweest) om dit zowel technisch als financieel mogelijk
te maken. Het opnieuw laten bewegen van de machine is niet meer
te realiseren via stoomkracht: de stoomketels zijn immers verwijderd.
De bouwwijze van de machine maakt het evenmin mogelijk om d.m.v.
elektrische of pneumatische aandrijving ‘herinbewegingstelling’
te realiseren. Er werd uiteindelijk gekozen voor een speciaal
hydraulisch hulpsysteem dat ervoor zorgde dat het slapende wereldwonder
weer ging werken.
Ook de wens om het museum uit te breiden met een nieuwe zaal om
de bezoekers beter te kunnen ontvangen en om het verhaal van de
vaste tentoonstelling educatiever en aantrekkelijker te brengen
is vervuld. De nieuwbouw is voltooid terwijl aan de herinrichting
van het museum nog steeds hard gewerkt wordt.
De hoop lijkt gerechtvaardigd dat door de herinbewegingstelling
van de machine, de uitbreiding van het museum én actualisering
van de presentatie de belangstelling voor museumgemaal de Cruquius
verder zal toenemen.
d Gemaal Bolstra
Aan de Aalsmeerderdijk te Oude Meer staat het in
1991 gebouwde gemaal Bolstra.
Het op rij vierde hoofdgemaal van de Haarlemmermeerpolder, en
derde gemaal voor de luchthaven Schiphol, slaat het van het luchthaventerrein
afkomstige overtollige water rechtstreeks op de Ringvaart uit.
Het verharde oppervlak van de terreinen van Schiphol
is sterk toegenomen. Zo zijn startbanen verlengd, parkeerterreinen
en platformen aangelegd en wordt er op grote schaal gebouwd.
Ook voor de komende jaren staan er verdere uitbreidingen op de
rol en zal het verharde oppervlak derhalve verder worden vergroot.
Dat heeft consequenties voor de waterhuishouding: er vindt, doordat
bijvoorbeeld regenwater niet langer in de bodem kan wegzakken,
een versnelde afvoer plaats van neerslag naar het watergangenstelsel.
Om nu ongewenste peilstijgingen te voorkomen stond het waterschap
voor de keus: de bemalingscapaciteit vergroten of meer waterberging
graven. De bouw van een nieuw gemaal dat rechtstreeks op de boezem,
de Ringvaart, zou uitslaan bleek de beste oplossing. Normaliter
zou het graven van voldoende waterberging het grotere wateraanbod
hebben kunnen compenseren. Open water heeft echter een sterke
aantrekkingskracht op (water)vogels en dit zou voor het vliegverkeer
problemen veroorzaken.
Het gemaal werd, gelet op de specifieke betekenis voor Schiphol,
destijds bekostigd door de luchthaven.
Op 16 april 1992 werd het gemaal overgedragen aan de toenmalige
dijkgraaf van het waterschap Groot-Haarlemmermeer, drs. M.G. Spaans.
Bij deze gelegenheid werd aan de president-directeur van Schiphol
een bronzen beeldje overhandigd. Het stelt Bolstra voor die op
de schaats zijn beroep uitoefent: het meten van het bevroren Haarlemmermeer.
De bouwkosten van het gemaal bedroegen f. 5.500.000,-.
De totaalkosten van de infrastructurele maatregelen die de waterstaat
betroffen en die noodzakelijk waren voor het goed functioneren
van de luchthaven, lagen rond de f. 8.200.000,-.
De capaciteit van het gemaal is 100 m³/min. wat inhoudt dat
een zwembad van olympische afmetingen in twintig minuten zou kunnen
worden gevuld met het door het gemaal uitgeslagen water.
Het overtollige water uit de polder moet, om in de Ringvaart te
worden geloosd, 5½ meter omhoog worden gebracht. Dit gebeurt
met twee door grote elektromotoren aangedreven vijzels.
De Bolstra werkt geheel automatisch. Afhankelijk van de waterhoogte
treedt het gemaal in werking of stopt het met malen. Het water
wordt via een toevoerkanaal van 1.9 km. lengte getransporteerd
naar het gemaal. De oevers van het kanaal zijn -vanzelfsprekend-milieuvriendelijk
ingericht.
e Gemaal Koning Willem I
In hoog tempo verandert het aanzien van de Haarlemmermeerpolder.
Gezien de omvang van alle werkzaamheden wordt de Haarlemmermeer
wel de op een na grootste bouwput van Europa genoemd. Alleen de
bouwactiviteiten in Berlijn zijn omvangrijker.
Naast de sterke uitbreiding van Hoofddorp, Nieuw-Vennep en Schiphol
zorgen de verdubbeling van de A4, de aanleg van wegen en spoorlijnen
voor ongekende bouwactiviteiten. Ook de ontwikkeling van bedrijfsterreinen
en de realisering van nieuwe recreatie- en natuurgebieden dragen
bij aan de metamorfose van de polder.
Het is de taak van het waterschap Groot-Haarlemmermeer
om dit alles op het gebied van de waterhuishouding effectief te
begeleiden.
Anno 2000 wordt in de Haarlemmermeerpolder het overtollige water
hoofdzakelijk afgevoerd via de Hoofdvaart door het gemaal Lynden
aan de noordkant van de polder. Dit gemaal moet elke nacht alleen
al gedurende vier uur werken om 87.000m³ opborrelend kwelwater
uit de polder uit te malen. Bij grote wateroverlast wordt ook
het reservegemaal Leeghwater in het zuiden van de polder in werking
gesteld.
Jaarlijks wordt zo gemiddeld 150 miljard liter water uit de polder
weggepompt.
De hierboven genoemde veranderingen maken een voortdurende
aanpassing van de waterhuishoudkundige voorzieningen in de polder
noodzakelijk. De beslissing van het waterschap Groot-Haarlemmermeer
om bij Vijfhuizen een nieuw hoofdgemaal te bouwen is hiervan een
belangrijke exponent.
Voorafgaand aan dit besluit is de afgelopen dertig
(!) jaar heel wat strijd geleverd. De meningen over de noodzaak
een nieuw hoofdgemaal te bouwen waren zeer verdeeld. Betrokkenen
op alle niveaus, van polderbewoners tot het hoogheemraadschap
van Rijnland namen in de loop der tijd met elkaar strijdige standpunten
in en staken hun mening niet onder stoelen of banken.
Ruim tien jaar geleden heeft het Waterschap de zaken voortvarend
aangepakt. Vroegtijdig werd het toevoerkanaal voor het te bouwen
gemaal in het bestemmingsplan vastgelegd. In 1996 werd het definitieve
bouwbesluit genomen, al waren ook toen de meningen over een en
ander nog sterk verdeeld.
Bij het slaan van de eerste paal van het nieuwe
gemaal aan de Cruquiusdijk bij Vijfhuizen op
1 maart 2001 is de noodzaak van de bouw niet langer omstreden.
Vooral de hevige regenval van de afgelopen jaren en de noodzaak
om in november 2000 noodbemaling toe te passen hebben zelfs de
felste tegenstanders overtuigd van de urgentie van nieuwe bemalings-capaciteit
én meer waterberging.
Gekozen werd voor een installatie met BVOP pompen,
in gewoon Nederlands is dat: Beton (pomphuis) Verticale (opstellingsvorm)
Onderwater (gesitueerde waaier) Propeller (waaiertype). Het bedieningsgebouw
krijgt het uiterlijk van een kapschuur, zodat het zo min mogelijk
opvalt in de omgeving. De capaciteit van het gemaal bedraagt maximaal
600 m³/min.. Er zijn drie onafhankelijke units van 200 m³/min.
waarvan er onder normale omstandigheden twee tegelijkertijd gebruikt
worden.
De stichtingskosten bedragen ruim f. 7.500.000,- en zijn door
het Waterschap betaald.
De bouw van gemaal Koning Willem I is een goed
voorbeeld van de wijze waarop waterschap Groot-Haarlemmermeer
vorm wil geven aan de trits Vasthouden-Bergen-Afvoeren, begrippen
die niet langer los van elkaar gezien kunnen én mogen worden!
8 Koninklijke bezoeken
aan de Haarlemmermeer
De betrokkenheid van het Huis van Oranje bij de
droogmaking van het Haarlemmermeer en daarna bij het welzijn van
de polder en zijn bewoners is altijd groot geweest. We zagen reeds
de intensieve bemoeienis van Koning Willem I en zijn zoon Willem
II bij de voorbereiding, wetgeving en de uiteindelijke realisering
van de droogmaking. Koning Willem III verleende de polder in 1859
een eigen wapen.
Deze verbondenheid kwam -en komt- tevens tot uitdrukking in de
vorm van bezoeken die in de loop der jaren door leden van het
Koninklijk Huis werden gebracht aan de gemalen en/of de polder.
Wij willen aan enkele bezoeken wat meer aandacht besteden.
Koningin Anna Paulowna bezoekt de Leeghwater
in aanbouw
Al tijdens de bouw van het gemaal Leeghwater was
er sprake van koninklijke belangstelling. Koningin Anna Paulowna,
echtgenote van Koning Willem II, kwam enige malen uit
Den Haag om, gezeten op een overdekte bank in de tuin van het
gemaal, de bouwactiviteiten gade te slaan “[..] terwijl
Zij tevens genoot van het betooverend landschapsschoon.”
Koning Willem II en zijn zonen bezoeken
gemaal Leeghwater
In het najaar van 1845 kon het gemaal Leeghwater
gaan ‘proefstomen’.
De voorzitter van de commissie van Beheer en Toezicht over de
droogmaking,
Jhr. mr. D.T. Gevers van Endegeest, schrijft hierover in zijn
boek Over de droogmaking van het Haarlemmermeer uit 1849 o.a.
het volgende: ”Ten slotte werd dan toch de gelukkige uitkomst
verkregen, dat de Leeghwater goed was en alleszins aan het oogmerk
voldeed; dat hij van proefwerktuig tot model-stoomtuig was verheven.
Den 6 november 1845, mogt ik met den Hoofd-Ingenieur Beijerinck
de eervolle taak vervullen, aan Koning Willem II, van zijne drie
vorstelijke zonen vergezeld, den Leeghwater in volle werking voor
te stellen.
Die werking strekte echter toen nog niet tot ontlediging van het
Meer, want dit werd eerst in Mei 1848 afgesloten [..]; maar door
kunstmatige inrigting was de toestand nagebootst, waarin hij werken
zou, wanneer het Meer tot op den zomerstand van den toekomstigen
Meerpolder, 5 ellen onder A.P., zou zijn uitgepompt; en nu bleek
ten volle, hoe in vele opzigten de Leeghwater nog in uitkomst
medegevallen was.”
De drie vorstelijke zonen die Koning Willem II vergezelden waren
de latere
Koning Willem III en de Prinsen Alexander en Hendrik.
Koningin Sophie bezoekt gemaal Lynden
Op 19 augustus 1865 werd de gemeente Haarlemmermeer
in de persoon van burgemeester
mr. J.P. Amersfoordt vereerd met een bezoek van Koningin Sophie
(1818-1877), gemalin van Koning Willem III. In het archief van
de gemeente Haarlemmermeer is een interessant en uitgebreid verslag
van deze dag te vinden. De burgemeester schrijft:
“Aan den Lijnden stapte men af; het werktuig werd aan hare
Majesteit vertoond door den Opzigter Vorstman, daar de dijkgraaf
van de Poll, door ziekte was verhinderd; De opzichter liet eeven
ophouden met werken, het water wegloopen, en toen weder alle pompen
tegelijk het water op den stortvloer werpen; zoodat het was of
er zeven reusachtige fonteinen in eens uit de aarde oprezen, het
geen een zeer indrukwekkend gezigt opleverde.
Hare Majesteit, die vroeger meermalen, den Leeghwater had bezocht,
maakte hare Engelsche gasten oplettend op de grootschheid van
deze werktuigen en de gehele onderneming, die hare wedergade niet
heeft [..].”
Daarna werd een bezoek aan ’De Badhoeve’, de modelboerderij
van burgemeester Amersfoordt, en aan Kruisdorp gebracht.
Bezoek van Koningin-Moeder Emma en Prins
Hendrik
Op vrijdag 21 juli 1905 bezocht Koningin-Moeder
Emma te Hoofddorp de tentoonstelling van ‘de afdeeling Haarlemmermeer
der Hollandsche Maatschappij van Landbouw’, ter gelegenheid
van het 50-jarig bestaan van de gemeente Haarlemmermeer.
De gemeenteraadsleden werden uitgenodigd om in het raadhuis aanwezig
te zijn. In de uitnodiging staat het volgende N.B.: “Het
wordt niet noodig geoordeeld met witte das en witte handschoenen
te verschijnen.”
Ter ere van het koninklijke bezoek liet burgemeester Lantzendorffer
een advertentie plaatsen om de ingezetenen te vragen op 18, 19,
20 en 21 juli de nationale vlag uit te steken in verband met de
herdenking van het 50-jarig bestaan van de gemeente. Prins Hendrik
bracht in hetzelfde jaar een bezoek aan stoomgemaal de Cruquius.
Enkele bezoeken van Koningin Wilhelmina,
Prins Hendrik en Prinses Juliana
In 1927 brachten Koningin Wilhelmina, Prins Hendrik
en Prinses Juliana een bezoek aan het concours-hippique te Hoofddorp.
Koningin Wilhelmina bezocht tien jaar later opnieuw dit concours.
In 1931 bracht de Koningin een bezoek aan luchthaven Schiphol.
Een gebeurtenis die evenzeer de grote betrokkkenheid
van het Koninklijk Huis bij het wel en wee van de Haarlemmermeer
illustreert is de volgende.
Op 21 januari 1936 bezocht Prinses Juliana het Koninklijk Instituut
van Ingenieurs te Den Haag, waarvan zij in 1933 het ere-lidmaatschap
gekregen had. Tijdens dit bezoek werd de overeenkomst getekend
tussen de Haarlemmermeerpolder en de Stichting De Cruquius waarbij
de polder aan genoemde stichting de terreinen en gebouwen van
gemaal Cruquius in pacht gaf “ [..] voor 75 achtereenvolgende
jaren ingaande 1 januari 1936 en mitsdien eindigende ultimo December
2011, tegen betaling van een pachtsom van f 1,- ’s-jaars
[..]”. Bij deze gelegenheid ontving Prinses Juliana de Cruquius-herinneringspenning.
Bezoek van Koningin Juliana
In 1955 bezocht Koningin Juliana de Haarlemmermeerpolder.
Op 1 juli van dat jaar schreef de Hoofddorpse Courant: “[..]
We vieren het feit dat 100 jaar geleden de gemeente Haarlemmermeer
en het waterschap Haarlemmermeerpolder werden ingesteld en de
besturen van deze lichamen hun werk begonnen. [..]” Enige
weken eerder schreef dezelfde krant: “Waarop werd gehoopt
zal plaats hebben. Hare Majesteit de Koningin bezoekt de openingsplechtigheid
op 2 juli a.s. in de kerk te Hoofddorp en zal de Eeuwfeest-tentoonstelling
openen. Dit is een groot gebeuren.”
Getuige de foto’s moet het een geanimeerd feest geweest
zijn en prima weer!
9 De Haarlemmermeerpolder
in de 21e eeuw
Waterbeleid nu en in de toekomst
Door de Commissie Waterbeheer 21e eeuw is beleid
gemaakt voor de toekomst van het waterbeheer in Nederland. Het
waterschap baseert hierop ook zijn visie. Essentieel onderdeel
van dit beleid is de trits Vasthouden-Bergen-Afvoeren.
Dit betekent concreet dat waterbeheerders er zoveel mogelijk naar
moeten streven om het water(probleem) niet af te wentelen op een
ander watersysteem dan het eigen. Overtollig water moet daartoe
bovenstrooms vastgehouden worden in de bodem en het oppervlaktewater.
Dit niet alleen om rekening te houden met de hoeveelheid gevallen
neerslag maar ook om verdroging van de bodem tegen te gaan.
Zonodig dient water tijdelijk geborgen te worden in zogenaamde
retentiegebieden langs watergangen. Daar moet ruimte voor gemaakt
worden. Tenslotte dient afvoer van water pas aan de orde te zijn
als vasthouden en bergen geen soelaas (meer) bieden. Afvoeren
kan betekenen wegmalen of opvangen in daarvoor aangewezen gebieden.
Deze uitgangspunten hebben tot gevolg dat de ruimtelijke
inrichting en daarmee het grondgebruik aangepast moeten worden
aan de eisen die het watersysteem stelt.
Dit betekent niet dat Nederland op de schop zou moeten, maar wel
dat bij alle nieuwe plannen, herinrichting of wijziging van grondgebruik
de plannen getoetst en zonodig aangepast dienen te worden aan
het watersysteem.
Naast de uitbreiding van open water in het gebied voor voorraad-
en seizoenberging streeft Groot-Haarlemmermeer naar de aanleg
van natuurvriendelijke en ecologische oevers om op die manier
te zorgen voor extra toename van de waterberging (voor dit soort
oevers zijn namelijk bredere watergangen nodig).
Ook flexibilisering van peilen in de zomer- en winterperiode is
een optie die van belang is voor een modern waterbeleid.
Duidelijk mag zijn dat alle overheden op verschillende
niveaus en vanuit verschillende invalshoeken te maken hebben met
water. Zo heeft de provincie Noord-Holland mede tot taak om de
beleidslijnen te bepalen voor de manier waarop in haar gebied
in de toekomst met het water moet worden omgegaan.
In het provinciale Waterhuishoudingsplan 2 geeft de provincie
het strategisch kader aan waarbinnen de waterbeheerders hun taak
moeten uitvoeren. Dit plan omvat twee kernpunten: voorraadbeheer
en watersysteembenadering.
Een belangrijke rol is hierbij weggelegd voor zowel het waterschap
als het hoogheemraadschap. Waterschap Groot-Haarlemmermeer is
gelegen in de waterstaatkundige eenheden Rijnland en Noordzeekanaal.
In zijn deelgebied heeft het waterschap Groot-Haarlemmermeer waterkering
en waterbeheersing tot taak, terwijl het hoogheemraadschap van
Rijnland zorgt voor beheer van de waterkwaliteit en het zuiveren
van afvalwater.
Waterschap Groot-Haarlemmermeer speelt echter evenzeer
een rol in dit kwaliteitsbeheer. We noemen hier de al eerder aangehaalde
aanleg van natuurvriendelijke oevers, doorspoeling ter bestrijding
van de kwelproblematiek en het baggeren van watergangen. Daarnaast
is de handhaving van de keur (het naleven van strafverordeningen
van het waterschap) door het maken van afspraken met grote terreinbeheerders
over het nakomen van onderhoudsverplichtingen onontbeerlijk voor
een goede waterkwaliteit. Voorts worden keurbepalingen gehanteerd
die verbieden dat bronnen of wellen worden geslagen die het oppervlaktewater
zouden kunnen verzilten. Nadrukkelijk wordt tevens de aandacht
gevestigd op het gebruik van materialen die de kwaliteit van het
oppervlaktewater niet nadelig beïnvloeden.
De taken van Rijnland en Groot-Haarlemmermeer zijn
dus sterk met elkaar verweven. Om die taken goed te kunnen uitvoeren
zijn gezamenlijke doelstellingen vastgelegd in het waterbeheersplan
Meer ruimte voor water. Veiligheid en duurzaamheid zijn daarin
de centrale begrippen.
De gemeente Haarlemmermeer is bij dit alles verantwoordelijk voor
het inzamelen en transporteren van riool- en afvalwater en voor
de inrichting van de openbare ruimte. Daarmee is zij voorwaardenscheppend
voor het optimaal waterbeheer.
Op initiatief van het waterschap Groot-Haarlemmermeer
is in 1998 samen met de gemeente, het hoogheemraadschap en de
provincie een integrale aanpak voor de polder geformuleerd onder
de titel Integraal Waterbeheer Haarlemmermeerpolder.
Uitgangspunt hierbij is de ruimtelijke ontwikkelingen binnen de
Haarlemmermeerpolder te bekijken in relatie tot het waterbeheer
en deze optimaal op elkaar af te stemmen. Ofwel: een richtlijn
waarbij ‘het water’ medebepalend is voor de ruimtelijke
ontwikkelingen in de polder tot het jaar 2015. Met dit plan wordt
pas echt invulling gegeven aan het begrip integraal waterbeheer!
Ontwikkelingen
Ruimtelijke ontwikkelingen
De Haarlemmermeerpolder ondergaat een metamorfose
op het gebied van infrastructuur, woningbouw, bedrijfs- en groenontwikkeling.
Niet lang geleden was nog ongeveer de helft van de Haarlemmermeerpolder
in gebruik als land-en tuinbouwgrond: ongeveer 6.650 ha. was bestemd
voor akkerbouw, 1.000 ha. was grasland, 700 ha. werd gebruikt
voor tuinbouw in de open grond en 120 ha. voor tuinbouw onder
glas. Afgezien van de glastuinbouw neemt deze land- en tuinbouwbestemmig
gestaag in omvang af.
Met name de ontwikkelingen in de laatste tien jaar
zijn turbulent en ook in de komende jaren zal het aanzicht van
de polder nog ingrijpend veranderen. We noemen hier de verdubbeling
van de A4, nieuwbouw op grote schaal bij Hoofddorp en Nieuw-Vennep,
de aanleg van wegen waaronder de Zuidtangent met drie aquaducten
onder de Ringvaart, railinfrastructuur en de uitbreiding van Schiphol.
Terwijl men nog bezig is met de aanleg van de vijfde start- en
landingsbaan wordt al weer nagedacht over de aanleg van een zesde.
Ook de ontwikkeling van nieuwe recreatie- en natuurgebieden is
in volle gang.
Deze zaken hebben uiteraard grote consequenties voor de waterhuishouding
in de polder.
Het waterschap dient de verschillende plannen intensief te begeleiden
in de ontwikkeling maar vooral bij de daadwerkelijke uitvoering
ervan. Enerzijds dient immers het watersysteem te worden aangepast
aan deze ontwikkelingen terwijl anderzijds de beperkingen die
het watersysteem aan de plannen oplegt gerespecteerd dienen te
worden.
Een voorbeeld hiervan is het zorgen voor voldoende waterberging
bij de toename van verhard oppervlak als gevolg van de bebouwing
van de polder .Voor het waterschap is dan ook een cruciale rol
weggelegd in het stellen van randvoorwaarden aan de planontwikkeling
in relatie tot het watersysteem van de polder. De Haarlemmermeerpolder
is immers één groot samenhangend watersysteem waarin
ontwikkelingen elkaar beïnvloeden. Deze ontwikkelingen dienen
zodanig op elkaar af te worden gestemd dat kansen worden benut,
bestaande problemen worden opgelost en nieuwe knelpunten worden
voorkomen.
Al eerder genoemd is de aanleg van voldoende waterberging.
Dit is echter niet voldoende.
De uitslagcapaciteit van de hoofdgemalen dient eveneens aangepast
te worden.
Ontwikkelingen bemalingcapaciteit
In het met de waterpartners gesloten waterakkoord
zijn afspraken gemaakt over de bemalingscapaciteit.
Toen in 1995 werd besloten tot de bouw van een gemaal nabij Vijfhuizen
werd al geconstateerd dat het bemalingssysteem kwetsbaar is met
het oog op calamiteiten in verband met het ontbreken van reservecapaciteit.
In november 2000, toen zich een extreem waterbezwaar voordeed,
bleek het dan ook noodzakelijk bij gemaal Lijnden een noodbemaling
te plaatsen.
De respectabele leeftijd van de gemalen Leeghwater
en Lynden vormde aanleiding om in 1999 opdracht te geven tot het
maken van een risico-analyse van de toekomstige bemaling van de
Haarlemmermeerpolder.
De onderzoekresultaten wezen uit dat voor beide gemalen aanpassingen
en modernisering nodig waren om aan de eisen die het peilbeheer
stelt te kunnen voldoen. Daarna zouden ze weer enkele decennia
naar behoren kunnen functioneren.
Deze absoluut noodzakelijke aanpasingen vergden natuurlijk grote
investeringen. Daarom werd besloten tot een volledige heroverweging
van de bemaling van de Haarlemmermeerpolder.
Door de technische dienst van het Waterschap werd begin 2002 Visie
op de bemalingcapaciteit van de Haarlemmermeerpolder gepresenteerd,
waarin een voorstel tot revitalisering van de gemalen Lynden en
Leeghwater wordt bepleit en uitbreiding van de bemalingscapaciteit.
In de visie wordt het gewenste toekomstige functioneren van deze
gemalen beargumenteerd.
Men komt tot de conclusie dat het gewenst en mogelijk is om de
huidige bemalingcapaciteit uit te breiden met 256 m3/min., waarmee
aan de voorziene toename van capaciteit per 1 januari 2005 is
voldaan.
Een en ander leidde er toe dat het college van
hoofdingelanden van het Waterschap in februari 2002 besloot tot
ingrijpende aanpassingen en modernisering van de betreffende gemalen.
Voor wat betreft gemaal Lynden werd besloten om nader onderzoek
te doen naar de bevindingen in de Visie en deze uit te werken
tot een definitief voorstel. Daarbij dient als randvoorwaarde
gehanteerd te worden de vervanging van de uit de 19e eeuw daterende
centrifugaalpompen door twee nieuwe –elektrisch aangedreven,
volledig geautomatiseerde en op afstand bedienbare - pompen met
een regelbare capaciteit. Onder normale omstandigheden zal een
capaciteit van 425 m3/min. worden gebruikt, terwijl in perioden
van extreme wateroverlast de capaciteit kan worden uitgebreid
tot 525 m3/min.
Andere randvoorwaarden betreffen de vervanging van de bestaande
dieselaandrijving door een elektromotor en automatisering van
de oostelijke pomp en de opvulling van de overblijvende ruimte
in het waterakkoord door bijplaatsing van een aparte pompunit
van 225 m3/min. in verband met de kwelbemaling om daarmee een
positieve impuls te geven aan de verziltingsbestrijding van zowel
de polder als Rijnlands boezem.
Ten aanzien van gemaal Leeghwater werd besloten
om, naast de aanleg van een automatische krooshekreiniger en de
uitvoering van allerlei andere noodzakelijk geachte werkzaamheden,
de westelijke pomp te automatiseren en de aanwezige dieselmotor
te vervangen. Deze wordt opgeslagen als ‘donor’ voor
de identieke oostelijke dieselmotor die vooralsnog gehandhaafd
wordt.
Al deze maatregelen die, zoals we zagen, gebaseerd
zijn op grondig onderzoek rechtvaardigen de verwachting dat de
bemaling van de Haarlemmermeerpolder –bijna- klaar is voor
de 21e eeuw.
Ontwikkelingen in de toekomst
Het waterschap heeft met name in het afgelopen
decennium zijn mannetje gestaan als het er om ging alert en terzake
in te spelen op alle ontwikkelingen in de Haarlemmermeerpolder,
de grootste bouwput van Europa op Berlijn na.
Toch zal op 1 januari 2005 het waterschap Groot-Haarlemmermeer
ophouden te bestaan.
De landelijk voorgestane schaalvergroting in de organisatie van
het waterbeheer ligt hieraan ten grondslag.
O deze datum zal Groot-Haarlemmermeer fuseren met de Zuid-Hollandse
waterschappen Rijnland, Wilck en Wiericke en De Oude Rijnstromen.
Dit waterschap-nieuwe-stijl zal verantwoordelijk zijn voor de
waterkeringzorg, het integraal watersysteembeheer en de waterzuivering.
Groot-Haarlemmermeer meende en meent op basis van wetenschappelijk
onderzoek en steekhoudende argumenten vraagtekens te moeten plaatsen
bij de gekozen veranderingen in de structuur van de waterschapsorganisatie.
Om meerdere (externe) redenen blijkt het echter niet meer mogelijk
het tij te keren.
Het waterschap zal zich daarom in het fusieproces schikken, zij
het dat aan de voortgang van het proces en de structurering van
de nieuwe organisatie hoge eisen zullen worden gesteld ten aanzien
van de zorgplicht voor het gebied, de ingelanden en de betrokken
medewerk(st)ers.
Waterhuishouding
Toen in 1852 de polder droogviel varieerde de maaiveldhoogte
van het drooggemaakte land
van –3.00 tot –5.00 meter NAP.
De kleigronden werden vervolgens met name voor de akkerbouw zo
goed mogelijk ontwaterd. In de lengterichting (N.O.-Z.W.) werd
de Hoofdvaart gegraven met haaks daarop een zestal dwarsvaarten.
Daarnaast werd voor de afwatering en waterberging een net van
sloten en lengtetochten aangelegd. Zo ontstonden kavels van 20
ha: 200 m. breed en 1000 m. lang, uitermate geschikt voor de landbouw,
van oudsher het voornaamste grondgebruik in de Haarlemmermeerpolder.
In de Haarlemmermeerpolder is, naast de vier grote
op de boezem uitslaande gemalen, het gemaal bij Vijfhuizen werkzaam
om de polder droog te houden.
In vroeger tijden bestonden er in de agrarische wereld diepgaande
meningsverschillen over de gewenste respectievelijk noodzakelijke
hoogte van het waterpeil in een bepaald deel van de polder.
Om tegemoet te komen aan de individuele behoeften van de grondgebruikers
werd daarom een vakbemalingsplan ontworpen. Dit plan behelsde
een voorstel tot invoering van verschillende peilen. In concreto
komt het er op neer dat elk afzonderlijk ‘vak’ met
een eigen zogeheten vakgemaal wordt bemalen. De capaciteit van
de vakgemalen is afgestemd op de capaciteit van de hoofdgemalen
om een evenwichtige waterhuishouding in stand te houden. De polder
kent zestien van deze vakbemalingseenheden. De gemalen verdelen
samen met talrijke stuwen en dammen de Haarlemmermeerpolder in
42 peilgebieden.
Het gemiddelde zomerpeil in de polder bedraagt
circa –5,7 m. NAP, het gemiddelde winterpeil circa –6
m. NAP. Bij het gehanteerde winterpeil varieert de drooglegging
in de akkerbouwgebieden globaal tussen de 1¼ en 2 m. Stedelijke
uitbreidingen en natuur- en recreatiegebieden vragen echter om
een geringer verschil tussen het maaiveld en het peil van het
oppervlaktewater.
Om een beeld te krijgen van de hoeveelheden water
die jaarlijks verwerkt worden volgt hier de waterbalans van het
jaar 1999:
Neerslag 151.000.000 m³
Kwelwater: 40.000.000 m³
Inlaten 19.000.000 m³
Totaal 210.000.000 m³
Verdamping: 100.000.000 m³
Uitmaling: 110.000.000 m³
Totaal: 210.000.000 m³
Zout: 60.000.000 kg.
De maximale uitslagcapaciteit van de hoofdgemalen
van de Haarlemmermeerpolder bedraagt ruim 2.100 m³/ min.
als volgt verdeeld over de gemalen:
Lynden: 819 m³/min.
Leeghwater: 590 m³/min.
Bolstra: 100 m³/min.
Koning Willem I: 600 m³/min.
Het overtollige water wordt van gemiddeld –6.00
meter NAP uitgeslagen op de Ringvaart, die de boezem van Rijnland
vormt.
Het overtollige boezemwater wordt op zijn beurt geloosd op de
Hollandse IJssel via een gemaal bij Gouda en in het westen direct
op de Noordzee middels een gemaal bij Katwijk.
In het noorden vindt de bemaling door de gemalen te Spaarndam
en Halfweg plaats op de Noordzeekanaalboezem.
Voor de aanvoer van water is de Haarlemmermeerpolder eveneens
aangewezen op de boezem van Rijnland.
Bij het gemaal Leeghwater kan water worden ingelaten
op de Hoofdvaart en de daarmee in verbinding staande watergangen.
Deze inlaat, die voor de doorspoeling een hoofdfunctie vervult,
heeft een capaciteit van ongeveer 160 m³/min. Verspreid over
de Ringdijk zijn er nog ongeveer zestig kleinere inlaten aanwezig.
Deze spelen een rol in de detailwatervoorziening.
Ten behoeve van de watervoorziening van de boezem van Rijnland
wordt voornamelijk vanuit de Hollandse IJssel bij Gouda water
ingelaten.
10 Droogmaken –
droog houden. Epiloog
Honderdvijftig jaar Haarlemmermeerpolder betekent:
terugkijken op wat werd gerealiseerd en vooruitzien naar wat in
stand gehouden moet worden en met welke middelen.
Bij de droogmaking van het Haarlemmermeer die uiteindelijk
drie jaar en drie maanden duurde stonden wij in het voorgaande
uitvoerig stil. Het droog houden van de Haarlemmermeerpolder is
een zaak die niet in jaren valt uit te drukken. Tot in de verre
toekomst zullen bestaande voorzieningen moeten worden aangepast
en nieuwe worden ontwikkeld. Ook hierover schreven wij.
De technische mogelijkheden tot waterbeheersing
hebben in de afgelopen honderdvijftig jaar een enorme ontwikkeling
doorgemaakt. Dit is, waar het de Haarlemmermeer betreft, heel
nadrukkelijk zichtbaar wanneer wij twee exponenten van ‘watertechniek’
uit de jaren 1850 en heden met elkaar vergelijken: gemaal Cruquius
en gemaal Koning Willem I. Hoewel op zeer veel punten volstrekt
onvergelijkbaar lijkt het ons aardig om een aantal gegevens van
beide gemalen naast elkaar te zetten.
Cruquius KW I
Bouwjaar (gepland) dec. 1846 - mei 1849 2001 - 2002
Bouwkosten +/- f. 535.000,- +/- f. 7.666.000,-
Bouwstijl gemaal/bedienings geb. vroeg neogotisch kapschuur
Krachtbron stoom uit kolen elektromotoren
Gewicht stoomcilinder/elektromotor 25.000 kg 4500 kg
Diameter stoomcilinder/elektromotor 3.66 m 0.97 m
Hoogte stoomcilinder/elektromotor +/- 4 m +/- 1.78 m
Aantal pompen 8 3
Soort pomp zuigpomp gesloten vijzel in
BVOP
Max. opvoerhoogte 4,5 – 5 m 5,8 m
Max. capaciteit gemaal p./min. 320 m³ 600 m³
Max. brandstofverbruik p/u 1000 kg kolen 261,1 KW
Opstarttijd +/- 24 uur geen
De verschillen zijn enorm; op de meeste (bouw)technische
punten kunnen wij eigenlijk niet van vergelijkbaarheid spreken.
Zowel voor wat betreft (de berekening van) de bouwtekeningen,
als de bediening van het gemaal zijn de taken van de mens overgenomen
door de computer. De bouw zelf geschiedt nu met behulp van machines
terwijl de Cruquius een staaltje handwerk was dat zelfs in zijn
tijd zijn weerga niet kende. Daarnaast zijn de voor gemaal Koning
Willem I gebruikte materialen van een dusdanige kwaliteit dat
van onderhoud slechts heel beperkt sprake behoeft te zijn, terwijl
bij de Cruquius een flinke bedienings- en onderhoudsploeg er een
dagtaak aan had om het gemaal ‘pompende’ te houden
… En ook nu nog zijn veel vrijwilligers nodig om het museumgemaal
in goede staat te houden.
En toch zijn beide gemalen onlosmakelijk met elkaar
verbonden. Koning Willem I: voorvechter van stoomtoepassing bij
de droogmaking van het Haarlemmermeer in de 19e eeuw wordt nu,
in de 21e eeuw, geëerd met het geven van zijn naam aan een
gemaal dat werkend op elektriciteit de Haarlemmermeerpolder droog
helpt houden….
De cirkel is gesloten!
11 Geraadpleegde
literatuur
J. van Andel De Meer van Weleer, 1996
W. Cool Prinsesse-Bezoek. De Ingenieur, 31 januari 1936
W. Cool Over en om de “Cruquius”. De Ingenieur, 8
mei 1936
J. Eigenhuis Geschiedenis van den Haarlemmermeerpolder, 1907
Jhr. mr. D.T. Gevers van Endegeest Over de droogmaking van het
Haarlemmermeer, 1843 e.l.
L. Giebels, red. Zeven eeuwen Rijnlandse uitwatering in Spaarndam
en Halfweg. Van beveiliging naar beheersing, 1994
C. Glaudemans De oude plannen tot droogmaking van het
Haarlemmermeer, 1985
Tj.W.R. de Haan, red. De waterwolf getemd, 1970
G. ’t Hart Cortège de Barbarossa, 1977
C. Jeurgens De Haarlemmermeer. Een studie in planningen beleid,
1991
F.J. Lammers In goede en kwade dagen. Portretten van Oranje-echtparen,
1996
W. van der Meulen Uit water gewonnen, 1996
G.J. de Nooy en R.F. Westhoek Waterhuishouding Haarlemmermeerpolder,
2002
K. van der Pols en J.A. Verbruggen Stoombemaling in Nederland
1770-1870, 1996
Provinciale Waterstaat van NH 100 jaar trouwe dienst (1881-1981),
1981
Stichting Eeuwfeest Haarlemmermeer Van bruisend water tot ruisend
graan, 1955
Stichting Meer-Historie Haarlemmermeer in beeld, 1997
E.D. Tiemens De Waterkrant, januari 2000
E.D. Tiemens Leeghwater en de strijd tegen het water, september
1998
K. Ummels-Hoekstra Story-line herinrichting Museum De Cruquius
2000-2002, 2000
Waterschap Gr.-Haarlemmermeer Integraal Waterbeheer Haarlemmermeerpolder,
1998
C.L.J. Wies Droogmakingplannen van het Haarlemmer Meer door de
eeuwen heen, 2001
12 Colofon
Teksten
E.D. Tiemens
Drs. K. Ummels-Hoekstra
Eindredactie
Drs. K. Ummels-Hoekstra
Copyright
2002, Waterschap Groot-Haarlemmermeer
Alle rechten voorbehouden. Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd,
opgeslagen in enig geautomatiseerd gegevens-bestand of openbaar
gemaakt in enige vorm of op enige wijze zonder voorafgaande schriftelijke
toestemming van de copyrighthouder.
|